VERBONDENHEID, Daar wil je toch gewoon bij horen…. Henk Peters

 

VERBONDENHEID

 

Het woord religie is verwant met het Latijnse woord voor verbinden. Religie brengt samenhang tussen mensen en opvattingen. Het zal niemand zijn ontgaan dat met de groei van welvaart mensen gingen vinden dat die verbinding tussen mensen, de verbinding met de ander steeds minder nodig was. Mensen gingen ieder voor zich in een streven naar welvaart en vrijheid zonder zich in dat opzicht beperkingen op te leggen. Niet meer aangewezen op de ander en dan ook niet op de Ander. Kerken werden leger en dat lot trof ook verenigingen en clubs: ieder vooral gericht op ikke, ikke, ikke en zelfontplooiing.

 

Maar de bomen groeien niet meer tot in de hemel. Ook niet in het derde rijkste land van de hele wereld! Het idee dat we de ander en de Ander niet meer nodig hebben, lijkt een vergissing. En politieke partijen die niks hebben met geloof of religie in hun uitgangspunten, beginnen plotseling ook over een participatiemaatschappij, mantelzorg, je broeders hoeder en rentmeesterschap. Mensen worden niet alleen teruggeworpen op zichzelf maar vooral op elkaar. Paniek in de samenleving want men vreest niks van de ander te verwachten te hebben als het op hulp aan komt….

 

Maandagavond een parochie-avond, bezocht door zo’n veertig parochianen. Een avond om elkaar wat bij te praten over wat we samen als parochie allemaal doen en waarbij we betrokken zijn. En dan blijken wij als kerkmensen (in aantal gaat het om honderden personen) druk in de weer om verbindingen te herstellen. Vroeger hebben we onderwijs en zorg van de grond geholpen door scholen en ziekenhuizen op te richten, maatschappelijk werk op te zetten enz. Maar dat was niet bedoeld als een excuus voor mensen om die zorgen uit te kunnen besteden, maar als ondersteuning. Ook ik weet niet wat onze kerkmensen allemaal aan vrijwilligerswerk doen. Ze willen zich ook niet in de schijnwerkers werken. Maar ik zag mensen die veel tijd en aandacht steken in (terminale) zorg, in thuiszorg, armoedebestrijding, vrijwilliger zijn om levensbeschouwelijke thema’s in het onderwijs aan de orde te stellen o.a. met het verzorgen van gastlessen, mensen die met jeugdwerk actief zijn bij scouting, bouworde, ondersteuning van een kindertehuis in Roemenië, Derde wereldwinkel, vluchtelingenwerk, duurzaamheid, maatjeswerk om mensen te ondersteunen bij opvoeding en het runnen van een huishouding, het runnen van het kerkbedrijf, enz.,enz. En dat kerkvolk is er bij deze en nog veel meer activiteiten vooral op uit om verbindingen tot stand te brengen met mensen, die met vergelijkbare thema’s bezig zijn ook buiten kerk en religie. Want we moeten het beste in elkaar wakker roepen, oog en oor helpen krijgen voor de ander en de Ander. Vrijwilligers die het cement zijn van onze samenleving.

 

Terwijl ik naar presentaties van onze vrijwilligers luisterde en ook bedacht hoe dat aansluit bij wat onze paus als boodschap uit draagt, besefte ik hoe goed we met elkaar bezig zijn. Bij zo’n volk van goedwillende enthousiastelingen wil je toch horen!

 

Henk Peters

Advertenties

Algemene Parochieavond 29-9-2014

Vanavond is er weer de Algemene ParochieAvond van de Titus Brandsmaparochie. Het Bestuur vertelt over de activiteiten van het afgelopen jaar en doet de plannen voor de komende tijd uit de doeken.
Ook nemen we afscheid van René Peters als penningmeester en verwelkomen Lou Pinckaers als zijn opvolger.
Tot vanavond 19.30 uur (inloop met koffie)

Harry Faassen

Overweging van 21-09-2014 door p. Leon Teubner.

In die tijd zei Jezus:

Het koninkrijk der hemelen

lijkt op een mens die als het licht wordt

meteen naar buiten gaat

om werkers te huren voor zijn wijngaard.

 

Het koninkrijk der hemelen lijkt op …..

Vandaag horen we één van de vele gelijkenissen

die Jezus vertelt om in ons íets van besef

van voeling met, van verstaan te wekken

van Gods werkzame aanwezigheid in en onder ons.

 

Jezus is gefascineerd door Gods aanwezigheid in zijn leven.

Hij noemt dat: het koninkrijk van God of het koninkrijk der hemelen.

Dat koninkrijk is voor Hem als een diamant met ontelbare facetten.

Geen definitie is omvattend genoeg om het te bepalen,

en daarom spreekt hij er alleen over in gelijkenissen.

 

Het gaat Hem in die vele gelijkenissen er altijd om

ons in contact te brengen met de liefde van God:

om ons te laten kijken met Gods ogen naar al wat is.

 

De gelijkenis bijv. van het mosterdzaadje opent ons oog

voor Gods werkzame aanwezigheid tot zélfs in het allerkleinste,

als groeiplaats van zijn bewarende liefde voor al wat ademt.

 

De gelijkenis van de schat in de akker

Wil ons de ogen openen voor Gods aanwezigheid in onze diepste grond,

welke een vreugde en een vrede geeft die onvergelijkbaar groter is,

dan de vreugde en de vrede die alle geschapen rijkdommen kunnen bieden.

 

Het gevaar van gelijkenissen is dat we ze niet in hun diepte verstaan,

maar dat wij blijven steken bij hun buitenkant en ze letterlijk nemen,

als zou het om feitelijke gebeurtenissen gaan zoals je die leest in een krant.

 

We zouden kunnen denken dat de gelijkenis van de werkers in de wijngaard

zou berichten over een ernstig conflict op de werkvloer,

of om het recht van elke werker op loon naar verdienste,

of om een werkgever die zijn werkers om eigen gewin tegen elkaar uitspeelt.

 

Maar het is met gelijkenissen als dat je kijkt

naar een prachtige en kostbare diamant.

Blijf je steken bij oppervlakte van de steen,

bij de talloze facetten waarin deze geslepen is,

dan ontgaat ons haar ware schat en verborgen rijkdom:

 

  1. het speelse licht dat vanuit het centrum van de diamant

naar buiten schittert en flonkert om onze blik te vangen,

en ons tot vreugdevolle verrukking brengen wil.

 

De gelijkenis van de werkers van het 1e en 11e  uur

gaat wezenlijk niet over eerlijke arbeidsomstandigheden,

maar over twee wijzen waarop wij kunnen kijken naar Gods schepping:

 

Wij kunnen kijken met de oneindig gunnende ogen van God naar al wat is,

maar wij kunnen ook kijken met een vergelijkend en berekenend menselijk oog,

een oog dat voortdurend terugbuigt op onszelf en op ons eigenbelang.

 

Dat laatste doen de werkers van het eerste uur

als zij morrend tegen de eigenaar zeggen:

 

Die laatst aangekomen werkers hebben maar één uur gewerkt

en u hebt hen gelijk gemaakt aan ons

die de last van de dag en de hitte hebben gedragen!

 

Waarop de eigenaar zegt:

 

Vriend, ik doe je toch geen onrecht

 

Opvallend is het verschil van kijken tussen de eigenaar en de werkers.

De werkers zien zichzelf in een contractrelatie staan met God.

Zij beschouwen zich als mensen die zichzelf aan Hem verhuren

om tegen een rechtvaardige beloning te werken in zijn schepping.

Zij zien zichzelf als huurlingen in Gods liefdesverbond

en werken niet uit liefde, maar om hetgeen de relatie oplevert.

 

Het verschil met hoe God naar hen kijkt wordt scherp verwoord

in de wijze waarop de eigenaar de werkers antwoordt:

 

Vriend, ik doe je toch geen onrecht

 

Vriend

In Gods ogen, in het speelse licht van zijn liefde,

in zijn bewarende wijze van kijken naar ieder van ons,

zijn wij ‘zijn vrienden’.

 

Vriend, ik doe je toch geen onrecht

het is mijn wil om aan ieder mens

net zo veel te geven als aan jou.

Staat het mij niet vrij met het mijne te doen wat ik wil?

of is jouw oog boos omdat ik goed ben?

 

Het vergelijkende en berekende oog van mensen

wordt hier door Jezus een boos oog genoemd.

 

Boos, omdat we de pretentie hebben dat iets van ons is.

Zodat wij iets te vergelijken of te berekenen hebben.

Maar: alles is ons gegeven, om-niet,

zo hoorden we God spreken middels de profeet Jesaja:

 

Kom, wie dorst heeft, hier is water;

en allen die geen geld hebt,

kom, koop koren en eet zonder geld,

en drink wijn en melk zonder betaling.

 

Water en koren en wijn staan bij Jesaja symbool

voor alles wat wij nodig hebben om te kunnen leven.

 

Het is gratis van God uit en voor geen geld te koop.

Maar wij mensen hebben onze samenleving zo ingericht,

dat wij ons meester maken van Gods gunnende goedheid,

en zijn werk te koop aanbieden aan onze arme naaste.

 

Daarom smeekt God ons via Jesaja:

 

             Buig jullie oor en kom naar Mij,

luister en je zult leven;

een eeuwig verbond sluit Ik met jullie.

 

             De goddeloze zal zijn weg verlaten,

de boosdoener zijn gedachten,

en terugkeren naar Mij,

die zich over hem ontfermen zal;

naar jullie God, want Hij geeft

en vergeeft rijkelijk.

 

Met zijn gelijkenis van de eersten en laatsten scherpt Jezus onze ogen

voor Gods aanwezigheid die in ieder van ons zijn koninkrijk wil vestigen.

Dat betekent dat Hij onze ogen en onze handen en voeten wil zijn,

en ons veranderen wil in gunnende en onvoorwaardelijke mensen.

 

Dat lijkt misschien een onmogelijke opdracht, maar dat is het niet.

God woont immers in ieder van ons en wil dat werk in ons verrichten.

Het vraagt van ons enkel dat wij proberen Hem niet te hinderen,

met onze voorwaardelijke, vergelijkende en berekenende blik.

 

Elke dag één keer proberen mee te bewegen met zijn gunnende goedheid,

elke dag één keer jezelf niet vergelijken met een ander;

elke dag één keer een ander iets werkelijk gunnen,

zonder dat je daar zelf ook maar iets beter van wordt.

 

Dat lijkt weinig, maar als je dit élke dag één keer echt doet,

zullen onze koninkrijkjes veranderen in het koninkrijk van God.

Het is als een druppel die zelfs de hardste steen uitholt.

Het zal onze grondhouding en ons kijken langzaam veranderen,

en stap voor stap zullen wij werkelijk lichaam van Christus worden.

 

Elke dag even werken in de wijngaard van de Heer.

Dan zullen de laatsten eersten worden, en de eersten laatsten,

die dan weer eersten zullen zijn, en dan weer laatsten…..

Zo zal uiteindelijk elke vergelijking en berekening

vastlopen in Gods bewarende liefde.

Alleen zo zal er werkelijk vrede komen op aarde,

in de mensen in wie God zijn behagen vindt

 

Overweging 17-08-2014 Maria hemelvaart door p. George Zeegers

Overweging140817  Maria hemelvaart   door p. George Zeegers

Als je goed luistert dan hoor je wat een geweldige verteller Lucas is.  Lucas was een arts van Griekse afkomst. Hij was een leerling van St. Paulus,  en had Jezus dus niet zelf meegemaakt.  Of hij Maria persoonlijk heeft gekend, weten we niet. En natuurlijk was  hij er niet bij toen Maria haar nicht Elisabeth ontmoette. Maar we horen wel een geweldige beschrijving van Maria. En daaruit blijkt dat Maria voor hem  al een heel  bijzondere vrouw was.  Maria wordt in het evangelie bijna niet genoemd. Lucas had de bedoeling om over Jezus te schrijven. Als aanloop op hele evangelie verhaalt hij het geboorteverhaal van Jezus, gezien vanuit Maria. ( Matteus beschrijft het geboorteverhaal van Jezus vanuit de kant van Sint Jozef ) . en Lucas legt  Elisabeth deze beschrijving in de mond:  Je bent gezegend onder alle vrouwen , want gezegend is de vrucht van jouw schoot. Maria is gezegend in haar kind Jezus.  Gezegend, want de Heer is met haar. Dat is Maria. Kort en heel krachtig.  En dan brengt Lucas Maria zelf aan het woord met een loflied op haar Heer:  Maria’s  geloofsbelijdenis . En we horen in notendop het geloof vertolkt van heel  Israel:  van de God die vanaf Araham barmhartig was voor zijn volk die de eigengereidheid en heerszucht van mensen ontkracht maar oog heeft voor en op neemt voor wat klein is en gering. Een God, trouw is aan wat hij heeft beloofd, een God van het Verbond.

En dat geloof is onze erfenis, beste mensen, want in Jezus,  Maria’s kind, kwam heel die belofte samen:  een God die het met mensen houdt, een God met ons;  Emanuel is Jezus’ zijn erenaam.

Die geloofsbelijdenis van Maria is niet een vroom verhaal, maar een politiek statement! Maria spreekt over de machtigen , de heersers, en de rijken die de dienst uitmaken, én over degenen die geen  gewicht hebben, de geringen.  De God van Israel is een God van recht en gerechtigheid voor elke mens,  ook en vooral voor diegenen die in onze wereld machteloos zijn en niet in tel: de stemlozen, de uitgestotenen; in Bijbelse termen, de vreemdeling, de weduwe en de wees.

Hier in Brabant spreken we veelal , zeker in Den Bosch, van de zoete moeder.  En dat klinkt als lieftallig en klinkt in mijn oren eigenlijk erg soft. Maria was zeker niet een zoetsappige vrouw.  De moeder van Jezus kan geen zoetsappig mens geweest zijn, want  Jezus stond strijdbaar en  revolutionair in de samenleving van zijn dagen en Maria was hem trouw tot onder het kruis.

Maria is terecht ons grote voorbeeld en de moeder van alle gelovigen: een geweldige vrouw, die terecht een ereplaats heeft in onze geloofsbeleving.

Overweging. 140907  23ste zondag     door p. G.Zeegers

Een goede raad. Als je broeder je iets misdoet, spreek hem/haar daarop aan. Luistert die niet, dan haal je er een paar anderen bij, luistert die dan nog niet, dan gooi het in de groep. Kerk staat hier in onze vertaling. Maar die vertaling zet ons gemakkelijk op het verkeerde been. Bij  kerk denken wij aan dit gebouw, of aan de hiërarchie in onze kerk of aan de kerkelijk leer, maar dat bestond in Jezus’ tijd nog helemaal niet. Ecclesia betekent gemeenschap,  gemeenschap van Jezus. Het gaat dus over ons zoals wij hier zitten; onze gemeenschap met zijn feilen en tekorten, maar zeker ook met alle inzet, zorg en hartelijkheid voor elkaar.. Gisteren de busreis naar het Vredespaleis in Den Haag en de martelaren van Gorkum in den Brielle, een hartverwarmende dag. Op vele plekken zijn wij kerk: hier als wij samenkomen op zondag God dankend en biddend, Dadelijk bij de koffie; bij de ziekenmiddag, door de gastvrije aanwezigheid door de week; bij HOI; door onze zorg bij bijzondere momenten in het leven: bij ziekte en rond sterven en dood; bij geboorte en doop, eerste communie en vormsel. Op veel momenten en samenkomen zijn wij kerk van Jezus.

Vandaag horen wij een heel belangrijk gedragsregel. Eentje die gemakkelijk klinkt: elkaar aanspreken op fouten.  Maar dat is een heel lastige: hoe doe je dat: elkaar tactvol aanspreken? En is het wel mijn taak? Moeten anderen, het bestuur of de pastores dat niet doen?

Ja natuurlijk, zij ook, maar ieder van ons als mijn broeder of zuster gezondigd heeft! Wijs hem/haar terecht onder vier ogen! Lukt dat niet, dan onder 8 of 12 ogen. Lukt dat ook niet dan pas door de gehele gemeenschap bij monde van bestuur of pastoor.

Ik erger me vaak aan ongepast gedrag in de trein, of ook op straat, alle rotzooi die zo wordt weggegooid, het vele lawaai. Voor iedereen genoeg momenten van ergernis. En meestal kijk ik maar weg; ik weet niet wat ik oproep als ik me er mee bemoei. En zo verloedert de trein, verloedert de straat, verloedert onze openbare  ruimte; omdat we allemaal wegkijken. In onze liberale tijd moet ook alles maar mogen.

Nee!  Niet alles moet mogen. Wat het  gemeenzame leven verstiert, hoeven we niet, mogen we  niet accepteren.  Maar ja??. ………… Ik denk dat we allemaal een taak hebben. Ieder naar eigen mogelijkheden.

Of die Marie die een hersenbloeding kreeg, verlamd raakte , haar leven opeens overgeleverd aan andermans handen. Boos tot in haar tenen over de gevangenis waarin  ze geraakt was, haar onwillige lichaam waarin ze opgesloten zat.. Boos, kwaad en onmachtig! En niet meer instaat om te relativeren. Boos op man en kinderen en buurvrouw en verzorgers, boos uit pure ellende en onmacht, maar zo iedereen van zich afstootte, omdat niemand meer iets goeds kon doen en ze geen raad wisten met haar.

Hoe spreek je die arme Marie zo aan dat ze steun en hulp ontvangt en  haar onmacht langzaamaan kan overwinnen en weer reëel naar haar onmachtige situatie kan kijken?

Elkaar aanspreken …. in het openbaar of in het privé leven, dat is niet gemakkelijk. Dat is een hels karwei zeggen wij. Jezus noemt het een hemels karwei.

Gelukkig belooft Jezus ons: waar je werkt aan het herstel van de band onder elkaar, alleen of met 2 of 3: Ik ben bij je!

Overweging van 14-09-2014 door p. Leon Teubner

Nicodemus, een van de belangrijke leraren van Israel,

is naar Jezus gekomen om met hem te spreken.

Hij zoekt Hem op in het holst van de nacht.

De nacht is de tijd bij uitstek om te bidden,

en om samen de wijzing van de Heer te overwegen.

In het nachtelijk duister verliezen

de dagdagelijkse dingen hun contouren.

Gebaande paden onttrekken zich aan het zicht,

de gewone zekerheden staan wat minder vast,

ook de theologische en religieuze.

Nicodemus heeft Jezus’ woorden en de daden

van dichtbij persoonlijk gehoord en gezien.

Hij voelt van binnenuit aan dat God met Jezus is,

dat Hij het koninkrijk van God is binnengegaan.

Als hij zich hierover tegen Hem uitspreekt,

gaat Jezus in gesprek met hem en zegt:

Alleen wie geboren wordt uit water én Geest

kan het koninkrijk van God binnengaan.

Geboren zijn uit mensen alleen is niet voldoende, want:

Wat uit menselijk vlees geboren wordt blijft vlees.

Alleen wie ook uit Geest geboren wordt, blijft Geest.

Geboren worden uit het vruchtwater van de moederschoot,

om tot leven te komen in ons menselijk lichaam,

dat is één ding, zegt Jezus, maar het is slechts het begin.

Geboren worden uit Geest – onze werkelijke Oorsprong,

dat is iets wat gedurende een heel mensenleven

elke dag weer aan ons voltrokken moet worden.

Dat moet aan ons voltrokken worden,

want, net als onze lichamelijke geboorte,

kunnen we ook deze geboorte niet zelf organiseren.

Geboren worden is een goddelijk gebeuren,

maar ook geheimvol en duister.

Ook op dit moment worden we hier geboren,

Maar het is nacht: we zien het niet,

we voelen het niet, we beseffen het niet.

We houden ons voor dat we –

tot het moment van onze dood,

voor eens en voor al fysiek geboren zijn.

Toch sterven ook vandaag miljoenen cellen in ons,

en nemen miljoenen nieuwe cellen hun plek in.

Telkens weer worden wij fysiek opnieuw geboren.

Dat geldt ook voor het geboren worden uit Gods Geest.

Vanaf onze eerste ademhaling tot nu toe,

worden wij door Gods adem bezield,

ademt Hij zijn bezielende Geest in ons.

Elk moment worden wij dus al geboren uit zijn Geest,

maar het is nacht: we zien het niet,

we voelen het niet, we beseffen het niet.

Geboren worden uit Gods Geest gebeurt pas echt aan ons,

als wij beseffen dat Hij ons nu ademt en bezielt.

Nu worden wij van boven af – van God uit geboren.

Niemand is opgestegen naar de hemel

dan degene die uit de hemel is neergedaald:

de mensenzoon.

Dat zegt Jezus vandaag tot Nicodemus en tot ons.

Je kunt pas het koninkrijk van God binnengaan,

op het moment dat het besef in je doordringt,

dat God jou hier en nu zijn leven geeft.

Dan daal je a.h.w. uit de hemel neer

als zijn zoon of dochter in dit menselijke lichaam.

God gééft ieder van ons tot op dit moment:

niet alleen het leven, maar precies zoals wij zijn.

Met al onze vermogens en tekorten,

met al onze talenten, verlangens en behoeften,

met al onze ontrouw en afkeer ook aan Hem en aan elkaar.

Zó geeft Hij ons en niet anders:

als een kwetsbare zoon of dochter van mensen.

Maar wel om ons te doen groeien tot zijn gelijkenis,

tot een trouwe zoon of dochter van God: lichaam van Christus.

Willen wij groeien in trouw en gehechtheid aan God,

dan moeten wij durven verschijnen voor zijn gelaat,

dan moeten wij in de relatie met Hem gaan staan,

en wel precies zoals wij gegeven zijn – en niet anders.

Dat is wat wij met het feest van Kruisverheffing vieren:

Dat wij ons tekort waarachtig erkennen

en het als een kruis opheffen naar God,

dat wij geheel zoals wij zijn, verschijnen voor zijn Gelaat.

Dus niet alleen met onze goede kanten en gedrag,

maar ook en vooral met al onze ontrouw en afkeer.

Daarom haalt Jezus het beeld van de slang aan,

het symbool van ons besef van goed en kwaad.

Het volk van Israel werd door de woestijn geleid naar het beloofde land.

Maar het volk is ontrouw en keert zich steeds weer van God af.

Om hen tot besef te brengen stuurt God giftige slangen op hen af.

Waarop het volk Mozes smeekt tot God te bidden om redding.

Mozes moet dan van God een bronzen slang op een paal zetten.

Eenieder die ernaar opkeek voor Gods gelaat

en zo zijn eigen ontrouw aanzag en aan God aanbood, bleef in leven.

Alleen in een open en waarachtige relatie met God,

groeit een mensenzoon uit tot zijn zoon of dochter.

Dat besef probeerde ook een karthuizer monnik in de 14e eeuw

in zijn leerling te wekken, door hem het volgende aan te raden:

Ook al voel je je nog zo vuil en zondig,

en weet je niet wat met jezelf aan te vangen,

doe dan wat ik je nu zeg:

Neem de goede en genadige God zoals Hij is

en leg Hem gewoon als een pleister op je zieke zelf.

Of, om het anders te zeggen,

biedt Hem eenvoudig je gehele zelf aan,

al wat je bent en zoals je bent.

En zeg tegen de goede God:

Dát ik ben en wát ik ben,

van nature en door genade,

ik heb het allemaal van U, Heer, en Gij zijt dat.

Ik bied het U aan, in de eerste plaats tot uw lof

en ook ten bate van al mijn medechristenen en van mezelf.’

Ik weet niet hoe het jullie/u vergaat,

maar als ik de woorden van Jezus en deze monnik hoor,

voel ik in mij wel een diep verlangen

om waarachtig voor Gods gelaat te staan.

Maar diep in mij heerst er ook een huiver en een weerstand.

Het is als Petrus over het water willen lopen naar God toe

en terugdeinzen uit angst ten onder te gaan en te sterven.

En toch,

toch klinkt daarachter en aan de angst voorbij,

een stille uitnodiging die in alle vrijheid roept:

kom maar – vrees niet,

Ik ben met je.

Gezond ouder worden (Gerard Westendorp)

Gezond ouder worden                                                                                                           Oss 15 augustus 2014

Ik mag u in een halfuurtje iets zeggen om daarna met elkaar in gesprek te gaan. Hoe zo goed mogelijk oud te worden; wat doe je daarvoor? Wat laat je daarvoor? Hoe beleven we het zelf? Mogelijk hebben we goede tips voor elkaar.

1. Als ik mezelf de vraag stel: wat is belangrijk, dan zeg ik: Tijd, eerbied en aandacht. Tijd, eerbied en aandacht voor wat je tegenkomt: voor de vogel in de lucht, de wolken, het meisje op straat, je kinderen aan tafel, je buurman, eerbied en aandacht voor alles wat je tegenkomt, en nu ook aandacht voor het feit dat we ouder worden en mogelijk krakkemikkiger.
We worden ouder en dat merken we. We hebben niet alles in de hand. Dat kan ons open maken voor meer dan wij in de hand hebben en kunnen begrijpen. Het meeste in ons leven begrijpen we niet. Dat we er zijn, begrijpen we niet, dat we leven, dat we geboren zijn, ik begrijp het niet en dat we dood gaan, ook dat begrijp ik niet.

Voor elke mens geldt, en zeker voor ouderen, het oude gezegde ‘memento mori’, ‘gedenk te sterven’. Denk er aan dat je doodgaat. Dat hoeft helemaal niet zo negatief te klinken. Beseffen hoe nietig we zijn, doet ons misschien ook beseffen hoe groot we zijn.
Ons leven is niet vanzelfsprekend. We hadden er ook niet kunnen zijn. U had er ook niet kunnen zijn. Wij hier hadden er ook niet kunnen zijn. En het had maar een fractie gescheeld of ik was er niet geweest. Niet dat het een ramp zou zijn geweest, maar toch wel jammer. En eens komt het moment dat ik doodga.
Als je daar vaker bij stil staat ga je anders naar je leven kijken. Er kan meer overgave komen aan het leven. Hoe minder ik met mezelf bezig ben, hoe minder bezorgd ik word over mijn eigen leven en hoe meer open voor alles om me heen. We ontspannen onze greep op het leven. Niet door werken alleen, maar meer nog door liefde, door vertrouwen, relaties en overgave komen we tot leven.

2. Geloof, hoop en liefde. Deze drie: geloof, hoop en liefde. De heilige Augustinus zei in de 4e eeuw, dat iedere wetenschap, dat alle kennis op drie fundamenten berust: geloof, hoop en liefde. Ik ben, ik was geneigd te denken, dat kennis en wetenschap gefundeerd zijn op kritisch onderzoek en op veel informatie verzamelen. Bij nader inzien kan Augustinus wel eens gelijk hebben. Alleen wie met vertrouwen naar iemand luistert, hem hoopvol aankijkt en hem met liefde en eerbied volgt, zal de ander echt leren kennen, en dat geldt voor alles, voor de natuur, voor de mens. Een dokter, alleen als hij met vertrouwen naar je luistert, je hoopvol aankijkt, je met liefde en eerbied volgt, zal hij je echt kunnen leren kennen en ook kunnen helpen.

Natuurlijk krijgen we last van onze gebreken, maar we leggen er niet meer die extra lading op van boosheid of verongelijktheid of schuld. We beseffen dat we meer zijn dan onze beperkingen in relatie met alles wat is en ons overstijgt.
Met Job ga ik mij afvragen: waar was ik toen de zon opging, toen de sterren verschenen, de regen kletterde, de rivieren begonnen te stromen, de dieren in het bos ontwaakten?
De wereld draait niet om mij. Het leven is niet door mij bedacht, en ik heb er ook geen greep op. Misschien voel ik me dan minder bedonderd en meer verwonderd.

3. Sommige mensen beginnen pas als ze dicht bij de dood zijn echt te leven. Wie onder ogen ziet dat het leven eindig is, haalt misschien meer uit het leven, zoals Jacqueline van der Waals, toen ze wist dat ze kanker had. Ze was pas 54 jaar. Ze schreef:
Sinds ik het weet (dat ik niet lang meer te leven heb)
‘Sinds ik het weet, werd mij de overvloed,
de schoonheid en de zoetheid van alle dingen die mij overal omgeuren en omringen
nog wel zo lieflijk en wel zo zoet.

Sinds ik het weet, schijnt mij de atmosfeer doorwasemd en doorgeurd van zoele togen, het is of ieder zintuig en vermogen
nog fijner werd en scherper dan weleer.

Sinds ik het weet, treed ik, wie ik ontmoet, de vreemden en de vrienden op mijn wegen ontroerder en vertrouwelijker tegen,
en ik groet ze met een vriendelijker groet.

Sinds ik het weet, is God mij meer nabij
en vaak in de ernst van het aardse spel verloren, zo ernstig en zo diep als ooit tevoren,
gevoel ik in de dingen plots Gods glimlach over mij.

Op het graf van een broer van mij staat: ‘Leven is wat er gebeurt, terwijl je andere plannen maakt’, een tekst van Lucebert. Met de jaren ga je duidelijker beseffen dat veel in het leven niet ging zoals je gewild had.
Maar terugkijkend kun je zien dat echt geluk in wezen altijd een geschenk was.
Je grote liefde heb je niet zelf georganiseerd: hij of zij doemde ineens op aan de horizon van je bestaan. Ook het welzijn van je kinderen of kleinkinderen heb je als vader of moeder niet echt in eigen hand. Je kunt natuurlijk veel doen, maar ook dat word je gegeven te doen.
Als ouder of grootouder kun je je verwonderen over je kinderen, over kleinkinderen en andere mensen.

4. In het licht van de dood vallen alle maskers af en hou je de kern over. Oud worden en de eindigheid en grenzen onder ogen zien is iets goeds. De dood is zelfs een geschenk.
Als je leven geen einde had, zou je alles uitstellen en tot niets komen. Het kan morgen of overmorgen ook nog wel. Op het moment dat je in je lijf ontdekt datje ouder wordt en datje zult sterven, verandert er soms plotseling van alles. Je voelt dat er nog dingen moeten gebeuren en dat je nog dingen moet zeggen. Door dit besef krijgt het vaak een grote rust, en ook een grote uitstraling en kracht.

Mozart, een musicus met veel verdriet en leed, die niet ouder werd dan 35 jaar, schreef aan zijn oude vader: ‘Aangezien de dood het werkelijke doel is van mijn leven, heb ik er mij in de afgelopen jaren op toegelegd, deze trouwe en beste vriendin van de mens te leren kennen en ik ben er zo goed in geslaagd, dat de idee, dood te gaan, mij geen angst meer inboezemt, maar me zelfs veel steun en een diep gevoel van rust geeft. Ik dank God, dat ik uiteindelijk in de dood het geheim van het ware geluk heb ontdekt. Voor dit geluk dank ik mijn Schepper en ik wens dit geluk toe aan al mijn vrienden’.

Mogelijk bent u ook wel een van zijn vrienden en houdt u van Mozart. Hij dankt God die hem heeft geleerd dat de dood ‘de sleutel tot waarachtig geluk’ is. Hij is dan 31 jaar en er niet bang meer voor want hij heeft zich vertrouwd gemaakt met ‘die goede en trouwe vriendin van de mens’, zo zegt hij zelf en verder: ‘Ik ga nooit slapen zonder te bedenken dat ik er bij het
gloren van de volgende dag misschien niet meer zal zijn. En toch kan niemand die mij kent zeggen dat ik ooit chagrijnig of zwaarmoedig ben. Dagelijks dank ik mijn Schepper voor mijn gelukkige stemming en wens die van harte al mijn medeschepselen toe’. Dit heldere besef van zijn eindigheid is het geheim van zijn speelse, lichtvoetige en tegelijk diepgaande muziek.

5. Besef van de dood, van ziekte en lijden, besef van onze eindigheid is essentieel om goed te kunnen leven. Etty Hillesum schreef in het kamp Westerbork: ‘Het zijn bange tijden, mijn God. Ik zal je helpen God, dat je het niet in mij begeeft, maar ik kan van te voren nergens voor in staan. Maar dit éne wordt me steeds duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en door dat laatste helpen wij onszelf. En dit is het enige, wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige, waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God. En misschien kunnen we ook er aan meewerken jou op te graven in de geteisterde harten van anderen. Ja, mijn God, aan de omstandigheden schijn jij niet al te veel te kunnen doen, ze horen nu eenmaal ook bij dit leven. Ik roep je er ook niet voor ter verantwoording, jij mag daar later ons voor ter verantwoording roepen. En haast met iedere hartslag wordt het me duidelijker: dat jij ons niet kunt helpen, maar dat wij jou moeten helpen en dat we de woning in ons, waar jij huist, tot het laatste toe moeten verdedigen. Er zijn mensen, het is heus waar, die nog op het laatste ogenblik stofzuigers in veiligheid brengen en zilveren vorken en lepels, in plaats van jou, mijn God. En er zijn mensen, die hun lichamen in veiligheid willen brengen, die alleen nog maar behuizingen zijn voor duizend angsten en verbitteringen. En ze zeggen: Míj zullen ze niet in hun klauwen krijgen. En ze vergeten, dat men in niemands klauwen is, als men in jouw armen is. Ik begin alweer wat rustiger te worden mijn God, door dit gesprek met jou. Ik zal in de naaste toekomst nog heel veel gesprekken met je houden en je op die manier verhinderen van me weg te vluchten. Je zult ook nog wel eens schrale tijden in mij beleven, mijn God, niet zo krachtig gevoed door mijn vertrouwen, maar geloof me, ik zal voor je blijven werken en ik zal je trouw blijven en je niet verjagen van mijn terrein.’
Daar schreef zij ook: ‘Het klinkt bijna paradoxaal: door de dood buiten zijn leven te sluiten, heeft men nooit een volledig leven en door de dood binnen zijn leven op te nemen, verruimt en verrijkt men zijn leven’.
De dood blijkt een schat in broze aarden vaten. Waar zij is, blijkt authentiek, waarachtig leven: ‘0 dood die waarheid zijt: nader tot u’, zo is de titel van een boek van Gerard Reve. Hij zegt ook: ‘God, de Liefde en de Dood, drie woorden voor een en hetzelfde’. Merkwaardig!
‘Alles van waarde is weerloos’. Dit is misschien wel de bekendste regel uit de Nederlandse dichtkunst: ‘Alles van waarde is weerloos’. Leven dat waardevol is, is kwetsbaar.

De dood herinnert ons er aan dat het leven niet vanzelfsprekend is. Voor je eigen geboorte heeft geen mens ooit toestemming gegeven, en je hebt daar ook niet bewust aan meegewerkt. Ineens was je er, zomaar. Het besef dat weer evengoed niet hadden kunnen zijn leidt tot een gevoel van verwondering. Ik ben er, ik leef. Je beseft dat het leven een geschenk is. Je hart klopt, je kunt ademhalen en eten en drinken en koken en lezen en beminnen. Het feit dat ik er ben is het tastbare bewijs dat ik op een of andere manier gewild ben.

6. Het is geen geheim dat veel ouderen hun toenemende afhankelijkheid verschrikkelijk vinden. De gedachte aan autonomie en zelfbeschikking staat hen in de weg. Maar we vergeten dat het meeste in ons leven gebeurt zonder dat we er greep op hebben. Ons hart klopt en tientallen miljoenen bacteriën houden onze stofwisseling op gang zonder dat we daarop ook maar een moment greep hebben. Denken dat zoveel mogelijke autonomie het belangrijkste is valt te betwijfelen.
Er is ook een andere weg mogelijk, namelijk dat vertrouwen, liefde, mildheid, menselijke relaties het voor het zeggen hebben.

Ida Gerhardt heeft een mooi gedicht over ouder worden. Ze schreef:

Oud worden is het eindelijk vermogen
ver af te zijn van plannen en getallen;
een eindelijke verheldering van ogen
voordat het donker van de nacht gaat vallen.

Het is een opengaan van vergezichten,
en bijna van gehavendheid genezen;
een aan de rand der tijdeloosheid wezen.
Of in de avond gij de zee ziet lichten.

Het is, allengs, een onomstotelijk weten
dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen
wanneer men van u schrijven zal: ‘ontslapen’.
Wanneer uw naam op aarde is vergeten.

Oud worden is het eindelijk vermogen – het is een vermogen, een mogen, het wordt ons geschonken. Een verheldering van ogen, zien, echt zien, kinderen zien, mensen zien, niet om wat ze doen, wat ze presteren, maar omdat ze zijn. Zien tot op de bodem. Het is een opengaan van vergezichten, van ruimte, openheid.

Het gedicht heeft als titel: ‘Genesis’, Wording. Dat is het tegenovergestelde van ‘afgedaan’, ‘afbraak’, ‘uitgerangeerd’. Voor de dichteres betekent ouderdom niet dat ze heeft afgedaan. Integendeel, het is een nieuwe wording. ‘Een verheldering van ogen’, je gaat de dingen op een nieuwe mannier zien. Niet meer door de bril van ‘plannen en getallen’. Het gaat nu eerder om een zien zonder eigen belang, zonder verlangen de dingen naar onze hand te zetten.

7. Ook in geestelijk opzicht gaan veel oude mensen een eigen weg. Iemand noteert: Mijn geloof is veranderd. Ik kan er niet achter staan dat het katholieke geloof het enige ware is, door de uitsluiting van gescheiden mensen en homo’s. Dat is niet christelijk. Wat de kerk leert is voor mij niet meer vanzelfsprekend. Ik probeer het voor mezelf uit te zoeken en denk er meer over na. Ik ga nog wel naar de kerk want ik zing graag en een goede viering doet me wat. Maar rooms-katholiek ben ik allang niet meer. Spiritualiteit heeft voor mij te maken met het gevoel dat er iets in ons is wat niet van deze aarde is. Het is een kracht, een inzicht dat je laat zien waar het echt om gaat.

Het gaat hier over de eigen weg in bet geloven. Dat geldt op vele terreinen. Oude mensen worden op een eigen manier wijs en men noemt ze dus terecht dikwijls eigen-wijs.
Ons gevoelsleven wordt dikwijls emotioneler. Het mededogen met het leed van anderen raakt ons meer. Veel oude mensen worden contemplatiever. Er ontstaat een dieper besef van het mysterievolle van de natuur en van de dingen.

Het is waar: ouderen zijn vaker ziek en meer hulpbehoevend dan jongeren. De ouderdom komt met gebreken. De zintuigen worden minder, de mobiliteit neemt af, er treden meer ziektes en kwaaltjes op. Er is een kleine groep mensen die er heel erg aan toe is, die er inderdaad heel erg aan toe is.

8. Sommigen zeggen: ‘de bejaarde is een ontluisterd wezen die vecht om mens te blijven’.
Maar is dat wel zo? Het woord ontluistering is dubbelzinnig. Er is een ontluistering die optreedt waar de mens geen gezicht heeft en geen naam, waar hij functie geworden is of object, waar je niet gezien wordt als mens, waar aan je voorbij gelopen wordt, waar je niet gewaardeerd wordt om de mens die je bent, maar om wat je presteert. Dat is een ontluistering van de mens.

Er is ook nog een andere betekenis. Dit wil ik duidelijk maken aan de hand van de schilder Rembrandt. In zijn vroegere jeugdportretten heeft Rembrandt zichzelf uitgedost met fluwelen baret en om zijn hals een ketting van goud. Toen hij oud was geworden, schilderde hij zichzelf zonder goud of fluweel, in een sober kleed, het gelaat gerimpeld en uitgeteerd.
De jonge schilder was met luister omhangen, in zijn ouderdom is hij ontluisterd. Maar deze ontluistering is een onthullende vrijmoedigheid en waarachtigheid die scherp afsteekt tegen de hypocrisie en onechtheid die hij in zijn jonge jaren had ervaren. In deze ontluistering kan de innerlijke en werkelijke waardigheid van de mens zich openbaren die zuiver en krachtig kan zijn.

Eenzelfde verschil valt te constateren in zijn schilderen van bijbelse thema’s voor en na de dood van zijn vrouw Saskia. In zijn jeugdjaren meent Rembrandt dat men aan voorstellingen van Christus een grootse en majesteitelijke uitdrukking behoort te geven. Men moet direct de heiland van de wereld kunnen herkennen. De dominerende gestalte, het grote gebaar en zijn alles overziende blik moeten de echtheid van zijn goddelijke zending bewijzen.
In de latere jaren kent Rembrandt echter deze met uiterlijke heerlijkheid beklede Christus niet meer. De bijbel heeft hem het geheim van Christus onthuld. Rembrandt heeft verstaan, dat de zin van de menswording niet de vergoddelijking van de menselijke natuur is, maar de liefde van God in de mens en zelfs in de knechtsgestalte.

9. Ik denk en ik zie ook dat bij het ouder worden er soms meer aandacht ontstaat voor waar het werkelijk om gaat, voor het wezenlijke. Er ontstaat vaak meer aandacht voor elkaar. Meer aandacht voor het milieu. Meer aandacht voor de diepere zin van het leven, voor het geheim van het leven. Er ontstaat meer eerbied, eerbied ook voor het minste het geringste.

De derde levensfase heeft een heel eigen betekenis. Het is de laatste fase, ook de hoogste: alle goeie dingen in drieën. Met de jaren komt de wijsheid. Bepaalde fundamentele menselijke waarden, zoals liefde, vriendschap, trouw, hebben net zoals goede wijn tijd nodig om te rijpen. Liefde en vriendschap gelden de hele persoon, niet alleen de jeugdige aantrekkelijke mens, en niet alleen de mens in de volle kracht van zijn leven. Ze worden ons niet alleen zomaar als geschenk in de schoot geworpen, maar zijn ook het resultaat van een levenslange toeleg.

Als je ouder wordt, kun je bepaalde gebeurtenissen beter overzien omdat je verschillende tijden hebt meegemaakt. Je kunt de dingen beter relativeren. En relativeren wil niet zeggen: onbelangrijk vinden, maar de dingen in hun eigen relatieve, betrekkelijke waarde zien; betrekkelijk, dat ze op elkaar betrekking hebben, met elkaar verbonden zijn, dat je niets moet verabsoluteren. Dat is wijsheid.
De oudere mens loopt niet meer zo hard en dat is maar goed ook. Hij draaft niet, loopt niet over alles heen, hij rent en runt niet, maar hij staat vaak stil bij de dingen. God schiep de tijd, over haast is niet gesproken. De kalmte en de rust van de oudere mens kan het aangetaste milieu ten goede komen. Steeds meer, en steeds beter, en steeds sneller, en steeds efficiënter levert een activistische en gewelddadige cultuur op, die alles naar zijn hand wil zetten. Dit is op de duur funest voor het milieu en niet alleen voor het milieu.

10. We willen graag zelfstandig zijn. In de bloei van ons leven denken we soms alles zelf te kunnen maken en breken. We willen sterk zijn, presteren. We hebben een heel leven opgebouwd, misschien een gezin gesticht. We konden het leven aan. En op een gegeven moment worden we hoe langer hoe meer afhankelijk.
En het klinkt gek: maar ook dit kan een zegen zijn, hoe moeilijk het ook is. Want zo zijn we ook geschapen: Volkomen afhankelijk. Niets is van onszelf: we hebben niet onszelf gemaakt. Alles wordt ons gegeven: onze mogelijkheden, alles wat we hebben en zijn, ons verstand, ons hart, onze spierkracht. En wij zijn daarin niet alleen afhankelijk van onze Schepper, maar ook van onze medemensen, allereerst van onze ouders, onze opvoeders, leraren, familie, buren, artsen, technici, loodgieters. Het is goed dat we van elkaar afhankelijk zijn en ook van elkaar afhankelijk durven zijn. Zo zijn we geschapen.
Wij mensen horen bij elkaar, hebben elkaar nodig, kunnen alleen maar met elkaar mens worden. Maar we zijn verschrikkelijke eigenheimers geworden, die het liefst zelf onze boontjes doppen, onszelf redden en niet graag hulp van anderen ontvangen. We willen niet graag van anderen afhankelijk zijn.

Wie een beetje thuis is in de bijbelse geschriften weet dat Jezus vlak voor zijn dood de voeten van zijn leerlingen waste. Dat was een veelzeggend gebaar. Petrus hield dat af: Nooit in der eeuwigheid zult u mij de voeten wassen. Maar Jezus antwoordde: Als je de voetwassing niet toelaat, kun je mijn leerling niet zijn.
Jezus heeft een wereld voor ogen waarin mensen niet te beroerd zijn om elkaar de helpende hand toe te steken. Maar ook een wereld waarin mensen een uitgestoken hand, aandacht en belangeloze inzet als weldadig durven accepteren. Het gaat er om dat wij onze kwetsbaarheid durven tonen. Het gaat er om dat we bereid zijn om anderen te helpen, maar ook om onszelf te laten helpen. Hulp durven vragen en accepteren betekent ook een weldaad voor de hulpverlener. Een oud gezegde is dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. Toch is dat nog maar de vraag! Kunnen ontvangen, ontvankelijk, open zijn is een groot goed.

Overgave, vertrouwen, onbevangen, ontvankelijk zijn, open handen, niet krampachtig willen vasthouden, niet alles zelf in de hand willen houden. Het is een moeilijk leerproces. Maar als het lukt, vindt er verdieping plaats: mensen zien door de uiterlijke schijn heen, ze kunnen heel veel ballast over boord gooien, ze raken tot de kern, ze maken zich niet meer druk om alle mogelijke bijkomstigheden. Leven blijkt sterker dan de leer en alle mogelijke wetten en voorschriften. Je bent blij en dankbaar dat je mag leven.

11. Het is allerminst waar dat oude mensen ‘niets meer te doen hebben’. Integendeel, ze hebben de opdracht om op een waardige manier oud te worden en het leven goed af te ronden: klaar komen met de vele beperkingen die de ouderdom in lichamelijk opzicht met zich meebrengt, het leven moet op grond daarvan dikwijls anders worden ingericht, aanvaarding van een toenemende afhankelijkheid, verwerking van het verlies van vertrouwde mensen, zelf leven uit de dingen die voor ons werkelijk belangrijk zijn geworden, wat er aan contacten nog over is met aandacht verzorgen, op orde komen met de dingen uit het verleden die onaf zijn gebleven, onopgeloste conflicten, innerlijke vragen, dankbaarheid voor de goede dingen die het leven aanbracht en aanbrengt, goede ontspanning zoeken die geest en gemoed gaande houdt en ervoor zorgt dat ons geestelijk leven niet verkommert, voldoende beweging nemen en aandacht voor het lichamelijk welzijn, het leren aanvaarden van de eigen dood.

Menigeen beseft heel goed ouder te worden. De vraag is of we het ook kunnen beamen en er dan toe te beslissen. Wie dat doet, betreedt daarmee de weg naar de zin van deze laatste levensfase. Hij onttrekt zich daarmee aan het gevoel dat het leven dood loopt. Een doodlopend leven verliest aan zin. Het is als een doodlopende straat. Maar wie beslist in het einde te willen staan, verjongt daardoor het leven. De beslissing schept de ruimte om de eigen mogelijkheden van deze levensfase geheel tot hun recht te laten komen en de beperkingen die er liggen hun plaats te geven. Dit einde werkt in alles door: in de ontvankelijkheid voor het ‘nu’, in het besef van de zegeningen van het voorbije leven, in het besef dat we veel zwaars en verdrietigs hebben doorstaan, in het doorzien van ons eigen tekort en schuld, in het ‘eindelijk vermogen veraf te zijn van plannen en getallen’, in een belangelozer omgaan met de wereld om ons heen, in ontvankelijkheid voor het geheim van het leven.

12. De Poolse dichter en Nobelprijswinnaar Milosz noemt de ouderdom ‘een roeping’. Toen hij dat schreef, was hij tachtig. De ouderdom als roeping klinkt heel anders dan ‘de ouderdom als fase van aftakeling’ of ‘de ouderdom als kostenpost voor de samenleving’.
Een roeping houdt een opdracht in die van de andere kant komt. Reeds de bijbelse profeten
wringen zich in alle mogelijke bochten om onder hun roeping uit te komen. Begrijpelijk, want die houdt meestal een hoop gedoe in. Niemand kiest er bijvoorbeeld voor om grijs en gebrekkig te worden. Veel ouderen denken daarom: 0, was ik nog maar jonger. En dan vergelijken ze wat ze toen konden met nu. Zo maken we onszelf ongelukkig. We pakken onze concrete roeping niet op, die even dichtbij ligt als het kunstgebit op het nachtkastje. Het resultaat is dat we onszelf onaantrekkelijk vinden, afgedankt.

De roeping van de ouderdom eist overgave aan de werkelijkheid van afhankelijkheid van een rollator of iemand die je papieren helpt invullen. Overgave is geen berusting, want dan geven we onszelf niet echt: we houden iets mokkends. In echte overgave aanvaarden we actief de werkelijkheid. Dan kan er iets wonderlijks gebeuren: je kijkt met nieuwe ogen naar het leven. Wie zich overgeeft aan de opdracht van zijn of haar roeping, gaat iets betekenen voor de wereld. Je wordt een gezondene, een profetisch symbool van kwetsbaarheid. Als ouder ben je de vreemde ‘ander’ die alleen al door er te zijn, een kritische kanttekening plaatst bij de dominante economische mythe die ons in een grote crisis heeft gestort. Wie of wat we ook mogen wezen, we zijn niet geschapen als onkwetsbare wezens die pas echt mens zijn wanneer we volledig controle over onszelf en anderen hebben. Integendeel, juist onze kwetsbaarheid maakt empathie en liefde mogelijk, warmte en betrokkenheid. Kwetsbaarheid is de voorwaarde voor compassie.

Ouder worden is een roeping tot kwetsbaarheid. Evenals op hun wijze de bijbelse profeten deden, bewaak je in het mandje van je rollator het vlammetje van de humaniteit. Zo helpen ouderen voorkomen dat de wereld door onmenselijkheid vergaat. De oude chinezen zeiden: de essentie van ouder worden is iemand om van te houden, iets zinvols om te doen en iets om op te hopen, dat is alles wat je nodig hebt.

Vragen
Herkent u zich in het een of het andere? Waar hebt u vragen bij? Wat zijn uw eigen ervaringen?