Overweging van 14-09-2014 door p. Leon Teubner

Nicodemus, een van de belangrijke leraren van Israel,

is naar Jezus gekomen om met hem te spreken.

Hij zoekt Hem op in het holst van de nacht.

De nacht is de tijd bij uitstek om te bidden,

en om samen de wijzing van de Heer te overwegen.

In het nachtelijk duister verliezen

de dagdagelijkse dingen hun contouren.

Gebaande paden onttrekken zich aan het zicht,

de gewone zekerheden staan wat minder vast,

ook de theologische en religieuze.

Nicodemus heeft Jezus’ woorden en de daden

van dichtbij persoonlijk gehoord en gezien.

Hij voelt van binnenuit aan dat God met Jezus is,

dat Hij het koninkrijk van God is binnengegaan.

Als hij zich hierover tegen Hem uitspreekt,

gaat Jezus in gesprek met hem en zegt:

Alleen wie geboren wordt uit water én Geest

kan het koninkrijk van God binnengaan.

Geboren zijn uit mensen alleen is niet voldoende, want:

Wat uit menselijk vlees geboren wordt blijft vlees.

Alleen wie ook uit Geest geboren wordt, blijft Geest.

Geboren worden uit het vruchtwater van de moederschoot,

om tot leven te komen in ons menselijk lichaam,

dat is één ding, zegt Jezus, maar het is slechts het begin.

Geboren worden uit Geest – onze werkelijke Oorsprong,

dat is iets wat gedurende een heel mensenleven

elke dag weer aan ons voltrokken moet worden.

Dat moet aan ons voltrokken worden,

want, net als onze lichamelijke geboorte,

kunnen we ook deze geboorte niet zelf organiseren.

Geboren worden is een goddelijk gebeuren,

maar ook geheimvol en duister.

Ook op dit moment worden we hier geboren,

Maar het is nacht: we zien het niet,

we voelen het niet, we beseffen het niet.

We houden ons voor dat we –

tot het moment van onze dood,

voor eens en voor al fysiek geboren zijn.

Toch sterven ook vandaag miljoenen cellen in ons,

en nemen miljoenen nieuwe cellen hun plek in.

Telkens weer worden wij fysiek opnieuw geboren.

Dat geldt ook voor het geboren worden uit Gods Geest.

Vanaf onze eerste ademhaling tot nu toe,

worden wij door Gods adem bezield,

ademt Hij zijn bezielende Geest in ons.

Elk moment worden wij dus al geboren uit zijn Geest,

maar het is nacht: we zien het niet,

we voelen het niet, we beseffen het niet.

Geboren worden uit Gods Geest gebeurt pas echt aan ons,

als wij beseffen dat Hij ons nu ademt en bezielt.

Nu worden wij van boven af – van God uit geboren.

Niemand is opgestegen naar de hemel

dan degene die uit de hemel is neergedaald:

de mensenzoon.

Dat zegt Jezus vandaag tot Nicodemus en tot ons.

Je kunt pas het koninkrijk van God binnengaan,

op het moment dat het besef in je doordringt,

dat God jou hier en nu zijn leven geeft.

Dan daal je a.h.w. uit de hemel neer

als zijn zoon of dochter in dit menselijke lichaam.

God gééft ieder van ons tot op dit moment:

niet alleen het leven, maar precies zoals wij zijn.

Met al onze vermogens en tekorten,

met al onze talenten, verlangens en behoeften,

met al onze ontrouw en afkeer ook aan Hem en aan elkaar.

Zó geeft Hij ons en niet anders:

als een kwetsbare zoon of dochter van mensen.

Maar wel om ons te doen groeien tot zijn gelijkenis,

tot een trouwe zoon of dochter van God: lichaam van Christus.

Willen wij groeien in trouw en gehechtheid aan God,

dan moeten wij durven verschijnen voor zijn gelaat,

dan moeten wij in de relatie met Hem gaan staan,

en wel precies zoals wij gegeven zijn – en niet anders.

Dat is wat wij met het feest van Kruisverheffing vieren:

Dat wij ons tekort waarachtig erkennen

en het als een kruis opheffen naar God,

dat wij geheel zoals wij zijn, verschijnen voor zijn Gelaat.

Dus niet alleen met onze goede kanten en gedrag,

maar ook en vooral met al onze ontrouw en afkeer.

Daarom haalt Jezus het beeld van de slang aan,

het symbool van ons besef van goed en kwaad.

Het volk van Israel werd door de woestijn geleid naar het beloofde land.

Maar het volk is ontrouw en keert zich steeds weer van God af.

Om hen tot besef te brengen stuurt God giftige slangen op hen af.

Waarop het volk Mozes smeekt tot God te bidden om redding.

Mozes moet dan van God een bronzen slang op een paal zetten.

Eenieder die ernaar opkeek voor Gods gelaat

en zo zijn eigen ontrouw aanzag en aan God aanbood, bleef in leven.

Alleen in een open en waarachtige relatie met God,

groeit een mensenzoon uit tot zijn zoon of dochter.

Dat besef probeerde ook een karthuizer monnik in de 14e eeuw

in zijn leerling te wekken, door hem het volgende aan te raden:

Ook al voel je je nog zo vuil en zondig,

en weet je niet wat met jezelf aan te vangen,

doe dan wat ik je nu zeg:

Neem de goede en genadige God zoals Hij is

en leg Hem gewoon als een pleister op je zieke zelf.

Of, om het anders te zeggen,

biedt Hem eenvoudig je gehele zelf aan,

al wat je bent en zoals je bent.

En zeg tegen de goede God:

Dát ik ben en wát ik ben,

van nature en door genade,

ik heb het allemaal van U, Heer, en Gij zijt dat.

Ik bied het U aan, in de eerste plaats tot uw lof

en ook ten bate van al mijn medechristenen en van mezelf.’

Ik weet niet hoe het jullie/u vergaat,

maar als ik de woorden van Jezus en deze monnik hoor,

voel ik in mij wel een diep verlangen

om waarachtig voor Gods gelaat te staan.

Maar diep in mij heerst er ook een huiver en een weerstand.

Het is als Petrus over het water willen lopen naar God toe

en terugdeinzen uit angst ten onder te gaan en te sterven.

En toch,

toch klinkt daarachter en aan de angst voorbij,

een stille uitnodiging die in alle vrijheid roept:

kom maar – vrees niet,

Ik ben met je.

Advertenties

Een gedachte over “Overweging van 14-09-2014 door p. Leon Teubner”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s