Overweging van zondag 19 oktober door P. Leon Teubner

Matteus 22, 15-22

 

Een aantal hogepriesters en farizeeën willen van Jezus af.

Zij haten Hem omdat Hij hun geestelijk leiderschap hekelt

en voor de ogen van het volk doorprikt als onwaarachtig.

Daarom zijn zij Hem liever kwijt dan rijk.

 

Nu zijn er twee manieren om dat te bereiken:

ofwel door Jezus ernstig gezichtsverlies te laten lijden voor het volk,

voor de gewone mensen die Hem aanhangen en volgen;

of door Hem als een bedreiging te laten overkomen

voor de Joodse en Romeinse machthebbers in het land

zodat deze Hem oppakken en veroordelen.

 

De farizeeën sturen hun leerlingen

samen met de aanhangers van koning Herodes,

daarom op Jezus af met een strikvraag.

Een dusdanige strikvraag, dat elk antwoord fout zal zijn

en zal leiden tot zijn af- of ondergang.

Zij vragen Hem:

 

‘Zeg ons, wat vind je hiervan:

mag je aan de keizer belasting betalen of niet?’

 

Als Jezus ‘ja’ zegt op deze vraag, dan verliest Hij het vertrouwen van het volk,

dat onderdrukt wordt door de Romeinen en al zolang hoopt op bevrijding.

Als Jezus ‘nee’ zegt op deze vraag, dan kan hij worden aangeklaagd als rebel,

die een opstand onder het volk wil ontketenen tegen de Romeinen.

Welk antwoord Hij ook geeft, het is altijd het verkeerde.

 

Maar Jezus doorziet hun opzet en vraagt aan hen:

 

Laat mij de belastingmunt eens zien;

wiens beeltenis en opschrift staat erop?

 

Zij antwoorden: het is het beeld en het opschrift van de Keizer.

Daarop raadt Jezus’ hen aan:

 

Geef dan terug aan de keizer wat van de keizer is!

 

Daarmee lijkt de vraag beantwoord voor de farizeeën en de Herodianen.

Maar Jezus is nog niet klaar met hen.

Hij is toch, zoals zijzelf aan het begin tegen Hem zeiden,

een rabbi, die naar waarheid onderricht over de weg van God.

Dus onderricht Jezus hen over de weg van God en zegt:

 

Geef dan aan God wat van God is.

Jezus stelt hen met zijn antwoord in een fundamentele vraag:

Hij laat hen nadenken over wat van de mens is en wat van God.

 

De belastingmunt staat voor de menselijke macht en heerschappij,

en voor alles wat voor mensen maakbaar en grijpbaar is,

maar wat tegelijk aan slijtage en verandering onderhevig is, eindig is.

Het staat voor alles wat toe te eigenen is, maar dat niet wezenlijk is:

het staat voor macht, heerschappij, invloed, rijkdom.

 

Dat alles, raadt Jezus ons aan, kun je rustig loslaten

zonder dat je wezenlijk tekort komt.

Maar: wat houden we over als we dat alles loslaten,

als we aan de keizer teruggeven wat van de keizer is?

Alles wat niet te koop is en toe-eigenbaar,

maar wat vanzelfsprekend eigen aan ons is,

wat gratis aan ieder van ons gegeven wordt.

 

Bijvoorbeeld: het kloppen van ons hart – dat komt niet van de keizer.

Ook onze adem komt niet van hem, noch

het licht in onze ogen of de tast in onze handen.

Gods liefdesverbond met ons komen niet van de keizer.

noch de genegenheid, de liefde en de kommernis,

de bewogenheid die ons in relatie brengt, komt van hem.

 

Alles wat wij wezenlijk zijn, komt niet van de keizer.

En ook de schepping niet, noch de kosmos,

en daarin in het bijzonder de mens,

dat komt niet van de keizer, zegt de Schrift:

 

In een begin schiep God

de hemel en de aarde.

God zei: Laat ons mensen maken

in ons beeld, tot onze gelijkenis.

God schiep de mens in zijn beeld;

in het beeld van God schiep Hij hen,

mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.

God zegende hen en zei tot hen:

Zie, Ik geef jullie … en alles wat ik gemaakt heb.

 

God geeft ons gratis alles wat Hij maakt en gemaakt heeft.

Niet alleen de mens maar ook alles wat voor de mens maakbaar is.

Alles komt uiteindelijk van God en niet van de keizer.

Dus zullen wij ook dagelijks alles aan Hem teruggeven.

 

Hoe kunnen nu wij God teruggeven wat van Hem komt?

Hoe kunnen wij meebewegen met zijn weg met ons?

 

Door ons elke dag een moment te bezinnen,

waar wij vandaan komen en waar wij naar toe gaan.

Elke dag ons even realiseren dát wij er zijn,

en dat dit ook niet zo had hoeven zijn.

 

Dat wij nu leven, dat ons hart klopt en wij nu ademhalen,

dat wij ons bewust zijn van onszelf en van elkaar,

dat wij elkaar ongevraagd gegeven zijn,

dat alles is ons om niet en uit genade geschonken.

 

En dat geldt ook voor de werkelijkheid waarin wij leven.

Ons leven hier in Oss, in deze cultuur, in deze welvaart.

De gehele werkelijkheid die ons hier en nu gegeven wordt,

vloeit onmiddellijk uit God gunnende goedheid voort.

En ook de ander, die in zijn andersheid niet bij ons hoort,

komt zomaar en ongevraagd op onze weg vanuit Gods liefde.

 

God woont in ieder mens, zegt onze joods-christelijke traditie.

Hij schept zomaar iedere mens in zijn beeld om te groeien tot gelijkenis.

En iedere mens vindt genade in zijn ogen, en zo trekt Hij mét ons mee.

 

Liefde, vergeving, en bewaring is zijn Naam, dat is zijn Wézen.

Daar kunnen wij helemaal niets aan toe- of afdoen.

Niet met onze plannen, niet met onze kennis of kundigheden,

niet met onze welvaart, niet met onze armoede.

 

Wij kunnen Gods gunnende goedheid niet aantasten of verwoesten.

Door geen ziekte, geen aftakeling en geen depressie,

door geen doodzonde of misstap of vergissing.

 

Onuitwisbaar dragen wij zijn beeld in ons,

terwijl Hijzelf diep in ons verborgen blijft.

Hoe meer wij meegeven met zijn liefdevolle beeld in ons,

hoe meer zijn verborgen beeld in ons naar boven komt,

hoe meer wij elkaar het licht in de ogen gaan gunnen.

 

Dat wij groeien mogen in onderscheiding

tussen wat van ons is en wat van God is,

en daardoor groeien in gelijkenis met Hem

die liefde en bewaring is.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s