Opening expositie: Toespraak ADA BRAAT over haar bijdrage

TOESPRAAK ADA, JOZEFKERK OSS, ZATERDAG 8 NOVEMBER 2015

Op 31 mei van dit jaar werd mij gevraagd of ik ook iets wilde maken
voor de expositie ivm. Titus. Ja, dat wilde ik graag. Het werk zou
komen te hangen in de Jozefkerk, deze kerk dus. Een
samenkomstkerk, waar mensen zitten rondom een tafel. Waar ik me
welkom voel.

Ik nam me voor veel te gaan lezen over hem.

In de eerste week van juni was het nogal warm. In Heesch, waar ik
woon, staan 3 grote groenblijvende magnolia-bomen. vlak voor de
Hema en Blokker. Er stonden voorheen platanen, maar die moesten
weg. Ik maakte me al eerder wat zorgen over deze uitheemse
planten, ze komen immers hier niet vandaan. Ze krijgen geen extra
water als het zomer is, en in de winter overleven ze moeizaam, ze
hebben gelukkig een dikke huid.

Er lagen een paar bruine bladeren op de stoep, die raapte ik maar op,
de stengeltjes waren verdord. Omdat ik er elke dag langs kom, zag ik
er steeds meer liggen. Thuis waste ik ze, en liet ze drogen. Moeilijk
vond ik het, die bomen die alsmaar kaler werden. De caissière van de
Hema kwam elke keer naar buiten, als ze me bezig zag. Ook sprak
ik een bewoonster van de appartementen die boven de winkels
liggen. “Soms geef ik ze een beetje water”, zei ze. “Misschien gaan ze
wel dood”.

De natuur doet me altijd denken aan mensen, en mensen doen me
denken aan de natuurverschijnselen. Die Titus Brandsma, wat was
het toch dat maakt dat er zoveel over hem gesproken wordt, dat er
zoveel over hem in boeken staat? Hij was priester, hij had een
overtuiging. Om die reden werd hij gevangen gezet in een
concentratiekamp. Zovelen heeft hij zien sterven.

 

Er lagen steeds meer bladeren op de grond. Aan de bomen steeds
minder. Thuis had ik de gedroogde bladeren met koperen
splitpennetjes op een stuk stramiengaas bevestigd. Het werd een
wandtapijt, de bladeren kregen een tweede leven. De gaatjes van het
stramien leken wel gevangenisraampjes. Om de bladeren goed vast
te zetten, druk ik de pennetjes uiteen. Toen ik op een keer de
achterkant bekeek van het doek, leken de splitpennetjes als
koperkleurige vogeltjes uit de raampjes te komen.

Intussen ging ik nog steeds elke dag bladeren rapen, sommige waren
nog groen, of half geel, of bruingroen. Totdat op een dag ik aan de
kale takken vreemde knoppen zag. Zouden er toch weer nieuwe
bladeren komen. Was de boom niet stervende?

Op een avond in juli, wandelden we even langs de bomen. Het rook
lekker, ik keek om me heen. Nee, niemand met parfum. Aan een van
de magnolia’s zag ik iets wits, een prachtige. bloem. Heerlijke geur!

Toen begreep ik het: de bladeren moesten vallen om de bloemen
kansen te geven. Toen begreep ik waarom ik de bladeren
verzamelde. Toen begreep ik iets van Titus Brandsma. En waarom hij
zalig is verklaard. En waarom hij wat mij betreft heilig genoemd mag
worden.

Was hij als het blad dat zich opoffert, zodat iets anders groeien kan?
Was hij als de boom die weet waar alles toe dient?

En wie is dan de bloem?

Vanmorgen liep ik nog even langs de bomen.

Waar de bloemen hadden gezeten, zag ik nu stevige vruchten met
heel veel zaden.

 

Ada Braat

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s