Overweging van zondag 27 december door p. Ben Wolbers

Overweging bij Lucas 2,41-52 – Titus Brandsmaparochie Oss – 27 december 2015

 

“Kind, waarom heb je ons dít aangedaan? Denk toch eens met wat een pijn je vader en ik naar je hebben gezocht!”

Het feest van de heilige familie dat we vandaag vieren voert ons vlak na Kerstmis al weg van de herders en weg van Bethlehem. Het plaatst ons middenin een strijd die voor veel ouders en kinderen herkenbaar is: de strijd van een kind dat buiten de verwachting van zijn ouders zijn eigen keuzen maakt… en de strijd van ouders om dat te verwerken… Het kind van Betlehem is een mens geworden met zijn eigen levensweg, zijn eigen gedachten en beslissingen. Ik denk hier aan wat de Libanese dichter Kahlil Gibran schreef in zijn beroemde boekje De Profeet: “Uw kinderen zijn uw kinderen niet; u mag hen geven van uw liefde, maar niet van uw gedachten, want zij hebben hun eigen gedachten […] en hun zielen toeven al in het huis van morgen”.

 

Voor Jozef en Maria kwam het moment dat hun kind zijn eigen weg ging te vroeg, zo lijkt het; want Maria zegt: “Kind, waarom heb je ons dit aangedaan?” Let dan op het antwoord van Jezus. In het Lucasevangelie zijn het de eerste woorden van Jezus: “Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Wij denken bij ‘huis van mijn Vader’  meestal spontaan aan de tempel van Jeruzalem. Maar letterlijk vertaald staat er: ‘wist je dan niet dat ik in de dingen van mijn Vader moest zijn?’ Lukas beschrijft hier dus niet enkel het verblijf in de tempel, maar hij heeft het al over de totale toewijding van Jezus aan de zaak van God. Dáár wilde Jezus zijn, dáár wilde hij zich kennelijk al mee bezig houden.

Maar hoe je het ook vertaalt, het antwoord van Jezus is en blijft pijnlijk. “Denk toch eens met wat een pijn je vader en ik hebben gezocht”, zegt Maria. “Wist je dan niet dat ik in het huis van míjn Vader moest zijn?” Twee vaders, twee soorten thuis. Jezus is thuis bij Maria en Jozef, die hem opvoedden en die hem vertrouwd maakten met de joodse tradities. Maar gaandeweg ontdekt hij dat er nog een ander thuis is, waar hij ook thuis is, ten diepste thuis… het huis van de hemelse Vader… De hemelse Vader zal de richting van heel zijn leven gaan bepalen.

In dat huis van de hemelse Vader voelde hij zich vrij… Dat zien we in alle vier de evangelies terug; door zijn band met God voelde Jezus zich vrij… vrij van de aanspraken van zijn familie, vrij om in de synagoge de boekrol te openen en daar hardop te zeggen: “de Geest des Heren heeft mij gezalfd”… Vandaag worden we met dit verhaal van die twaalfjarige Jezus in de tempel als het ware gewaarschuwd. Dat kleine kwetsbare kind is niet meer dat kwetsbare kind… het is een puber geworden die verder keek dan de verwachtingen van zijn ouders… hij zou uitgroeien tot een heel bewust levende, creatieve man, die zich vrij voelde om over allerlei drempels heen te stappen… hoe voelde zich vrij om bevriend te raken met tollenaars en zondaars, vrij om op sabbat aren te plukken, vrij om allerlei menselijke beperktheden aan de kaak te stellen, vrij om aandacht te vragen voor een nieuwe manier van God dienen… en uiteindelijk zelfs… zó vrij dat hij het kruis kon opnemen en aanvaarden…

 

Dit gedrag van Jezus en ook de reactie van Jozef en Maria plaatsen ons voor de vraag waar wij ‘thuis’ zijn, bij welke dingen wij zijn met onze aandacht, onze energie, onze liefde. In deze laatste dagen van 2015 gaan onze gedachten misschien uit naar alles wat ons in dit jaar in beslag heeft genomen: onze familie, in mijn geval de Karmel… Titus Brandsma ereburger van Oss… de gezondheid van ieder van ons… de parochie… heel zeker ook de ziekte van George… het afscheid van dierbaren… Als ik dit alles even ‘het huis van ons leven’ mag noemen, dan lijkt me dat we onszelf naar aanleiding van het evangelieverhaal de vraag kunnen stellen of er in dit huis van ons leven ook plaats is geweest voor ‘de dingen van Jezus’?

Wat Jezus deed, daar, toen, in de tempel, is in feite laten zien dat mooie godsdienstige gebruiken, zoals bij voorbeeld de jaarlijkse bedevaart naar Jeruzalem, wel belangrijk waren, maar dat er meer is. En daarmee schokte hij zijn ouders. En later zou hij de farizeeën schokken en de Schriftgeleerden. Maria kon daar mee omgaan, – zij bewaarde al die wederwaardigheden in haar hart, staat er. Zij probeerde te begrijpen wat er in hem omging. De Schriftgeleerden konden dat niet. Zij raakten verstrikt in een eng soort dogmatisme.

 

Om nog wat dichterbij het gevoel te komen wat Jezus misschien gehad heeft, wil ik u een kort citaat voorlezen uit de Roerom van april dit jaar. Daar schrijft iemand: “Als kind had ik al het gevoel dat er een groot Geheim bestaat. Ik zeg het met mijn woorden van nu. Als kind voelde ik me omgeven. Ik wist: ik woon in een Geheim. In de natuur heeft me dat het eerst aangesproken. Als klein kind ging ik ’s morgens vroeg de tuin in. Dat was voor mij geheimvol… Daar was iets… ik wist niet wat… Ik noemde het geen God. Daar was ‘geheim’. Dat vond ik prachtig en dan werd ik heel stil van binnen en gelukkig. Die twee vielen samen: stilte en geluk…”

Zou Jezus dat als kind ook zo ervaren hebben? We weten het niet. We weten wel dat hij dat geheimvolle later ‘liefde’ is gaan noemen en ‘God’ en Vader, Abba… En dat hij dat Geheim aanwezig wist in iedere mens… En dat daarom iedere mens belangrijk was voor hem… en dat daarom iedere mens recht moest worden gedaan… en dat geen enkele mens buitengesloten mocht worden… Ik acht het heel waarschijnlijk dat hij dáár naar zocht, toen, in zijn gesprek met de Schriftgeleerden in de tempel… naar dat Geheim.

 

 

Ben Wolbers

 

Overweging van zondag 20-12-2015 door pastor Leon Teubner

Over de hele wereld wordt het Wees Gegroet gebeden.

Sommigen onder ons bidden dit Wees gegroet wel dagelijks.

Ik wil vandaag stilstaan bij dit veelgebruikte gebed,

omdat daarin twee verhalen rond Maria samenkomen,

waaronder het verhaal dat wij vandaag hebben gehoord.

 

Het eerste gedeelte van het Wees gegroet

herinnert ons aan het bezoek van de engel Gabriel aan Maria.

Dat is het verhaal wat voorafgaat aan het verhaal van vandaag.

Daarin vertelt Lucas het volgende:

 

In de zesde maand werd de engel Gabriel

van bij God gezonden

naar een stad in Galilea,

genaamd Nazareth,

tot een maagd die was uitgehuwelijkt

aan een man die Jozef heette,

uit het huis van David.

De maagd heette Maria.

En inkomende tot haar zegt de engel:

 

‘Gegroet, begenadigde,

God is met je,

gezegend, jij, onder de vrouwen.’

 

Maria wordt hier door een engel van God begroet

en aangesproken als een begenadigde en een gezegende.

 

Een engel staat voor het woord van God.

God zelf spreekt Maria hier aan

als een begenadigd en gezegend mens in zijn ogen.

 

Want zij blijkt ontvankelijk te zijn voor de verwekking

van Gods onvoorwaardelijke liefde in haar.

Ook wij willen ontvankelijk zijn voor die liefde van God.

Vanwege ons verlangen daarnaar bidden wij met de engel:

 

Wees gegroet, Maria,

vol van genade, de Heer is met U,

Gij zijt de gezegende onder de vrouwen.

 

De kerk heeft Maria altijd verstaan als een model:

Maria staat model voor al die mensen

die willen groeien in ontvankelijkheid voor Gods liefde.

Dit groeien nu in ontvankelijkheid voor Gods liefde

is iets wat van Hem uit aan Maria geschiedt.

 

God schept ruimte in Maria met zijn Woord.

En Maria zegt ‘ja’ op Gods Woord in haar leven,

Zij zegt ‘ja’ op die goddelijke liefde in haar:

 

Zie mij, antwoordt zij, hier ben ik,

mij geschiedde naar jouw Woord.

 

In deze instemming van Maria komt haar ontvankelijkheid tot uiting.

Haar ‘ja’ heeft God op zijn beurt weer beantwoord:

zijn genadige toewending tot Maria

verwekt goddelijk leven en goddelijke liefde in haar.

 

Maria staat zo model voor alle mensen die ook verlangen

naar die geboorte van Gods onvoorwaardelijke liefde in hun leven.

Maar alleen God kan doen, voor mensen is dit onmogelijk.

 

Elisabeth, die onvruchtbaar is, maar toch zwanger wordt,

staat vandaag model voor dat onvermogen bij mensen

om vanuit zichzelf onvoorwaardelijke liefde te zijn.

 

Maria heeft het liefdeswoord van God gehoord en overwogen,

en zij heeft zich volkomen overgegeven aan dat Woord.

Zo is zij zwanger geworden van dat Woord van liefde,

en op weg gegaan naar de eveneens zwangere Elisabeth.

 

Als zij bij deze aankomt en haar begroet,

komt Elisabeth onmiddellijk in contact

met die onvoorwaardelijke liefde in Maria.

Zij wordt hierdoor vervuld met H.Geest en roept uit:

 

Gezegend, jij, onder de vrouwen

 

Opnieuw spreekt hier het woord van God tot Maria,

maar nu via de mond van Elisabeth.

Opnieuw klinken diezelfde woorden die Hij al eerder

door de engel Gabriel tot haar gesproken had:

 

Gezegend, jij, onder de vrouwen

 

 

Maar Hij voegt daar nu aan toe:

 

En gezegend de vrucht van jouw schoot die Ik ben,

onvoorwaardelijke liefde.

 

Daarom bidden wij:

 

Wees gegroet, Maria,

vol van genade, de Heer is met U,

Gij zijt de gezegende onder de vrouwen,

en gezegend is Jezus de vrucht van uw schoot.

 

Dit verhaal over het zwanger worden van Maria en Elisabeth

is méér dan een verhaal over twee wonderlijke verwekkingen.

 

Het gaat over Gods liefde die werkt in alles wat verwekt is en verwekt wordt.

Het gaat over de Inwoning van zijn onvoorwaardelijke liefde in al wat is.

Wij mensen kunnen niet onvoorwaardelijk beminnen zoals Hij.

Daarom bidden wij ook in het Onze Vader:

 

Laat toch geheiligd worden jouw naam,

laat toch komen jouw koninkrijk,

laat toch geschieden jouw liefdesverlangen.

 

Want ten diepste verlangt iedere mens naar onvoorwaardelijke liefde.

Ja, heel de schepping verlangt en zucht ernaar, zegt Paulus:

Zie, heel de schepping steunt en kreunt in barensweeën.

 

Dat wij met Maria mogen groeien in ontvankelijkheid

en eveneens instemmen met Gods liefdeswoord.

Dat wij steeds weer, hoe onze situatie ook is,

met haar durven zeggen:

 

Hier ben ik, mij geschiedde naar jouw woord.

 

Dan zal het Kerstmis worden in en onder ons

en vrede onder mensen in wie Hij welbehagen vindt.

 

 

Laat ons bidden

 

Bidden wij voor onze zieken

thuis of in het ziekenhuis,

en voor allen die hen bijstaan.

Dat Jij aanwezig bent in hun zorgzame aanwezigheid.

Laat ons zingend bidden

 

Bidden wij voor mensen die stervende zijn

en voor hun naaste dierbaren.

Dat zij zich samen toevertrouwen aan Jou,

die Bron en einddoel is van alle leven.

Laat ons zingend bidden

 

Bidden wij mee met het zuchten van mensen

in gevangenissen, in inrichtingen,

in asielzoekerscentra, …

met hen die nu op de vlucht zijn,

verdreven van huis en haard,

onderweg, niet wetend waarheen.

Dat Jij ons hart en onze handen opent voor hen.

Laat ons zingend bidden

 

 

Overweging bij de ziekenmiddag 14-12-2015 door pastor Leon Teubner

Kerstmis.

Het feest van de stal met het kind in de kribbe,

de engelen en de kerstboom, zoals we hier zien;

maar ook van de nachtmis en het samen eten, ….

de cadeaus en de romantiek.

 

Dat alles is de aantrekkelijke buitenkant van het feest.

De binnenkant ervan, de betekenis die wij hier vieren,

dat is de geboorte van God in de mens

en die van de mens in God.

 

Wat we eigenlijk jaarlijks met kerstmis vieren

is iets onbegrijpelijks en iets heel wonderlijks,

iets wat geheel niet te vatten is:

de wederzijdse geboorte van God en mens in elkaar.

 

Augustinus, de welbekende 4e eeuwse bisschop,

schrijft in een van zijn Kerstpreken:

 

God is mens geworden zodat de mens God kon worden.

Die geboorte van God gebeurt aldoor,

Maar, wat als zij niet in mij gebeurt,

wat helpt me dat dan?

Dát deze geboorte in mij gebeurt,

daar hangt alles van af!

 

Augustinus zegt dat de geboorte van in ons God aldoor gebeurt.

Hij wordt elk moment en zonder uitzondering in ieder mens geboren.

In elke generatie, ook in ons.

Zijn geboorte, dat is ons leven,

met elke ademhaling en elke harteklop

geeft Hij ieder van ons zijn leven.

 

Dat is zijn voortdurende geboorte in ons:

Hij geeft zichzelf en wij leven.

Maar Hij wil méér dan ons alleen het leven geven.

 

Hij wil in ieder van ons zijn liefde laten werken.

Zijn genade laten uitstromen in alle mensen

en in heel zijn schepping – in al wat is.

Want God is liefde, onvoorwaardelijke liefde.

 

Ook dat is iets totaal onbegrijpelijks:

Zijn onvoorwaardelijke liefde.

 

Dat is jezelf geheel en al geven met wat je bent en bezit

en je geheel toevertrouwen aan een ander,

en zo die ander beminnen zoals deze is.

Zelfs de ander die je vijand is, en die jou niet bemint.

Dat gaat ons verstand en onze logica te boven.

Wij kunnen elkaar maar binnen onze grenzen

en binnen onze voorwaarden beminnen.

Alleen God kan onvoorwaardelijk beminnen.

 

Daarom zegt Augustinus ook:

 

Wat als die geboorte van God niet in mij gebeurt?

Dat zij in mij gebeurt, daar hangt alles van af.

 

God geeft aan ieder van ons wel onvoorwaardelijk zijn leven,

maar kan Hij zich ook onvoorwaardelijk uitleven in ons?

Durven we Hem wel de ruimte te geven,

zoals Maria, deed toen zij zei:

 

Hier ben ik, mij geschiedde naar jouw woord.

 

Wij willen wel leven, maar ontvangen het niet echt.

We eigenen het heel vaak toe aan onszelf,

alsof het van ons is – iets waar we recht op hebben.

Dan plaatsen we God veilig ver weg in een hemel.

Hem zullen we later wel een keer ontmoeten, misschien.

 

Onbewust eigenen wij ons het leven toe dat van God is,

en proberen telkens weer onszelf uit te leven.

Wij proberen zelf zo goed als God te zijn,

maar hebben daarbij niet in de gaten

dat we Hem buiten de deur zetten.

 

Zoals de herbergier in het kerstverhaal

die de geboorte van God niet in zijn huis liet plaatsvinden,

maar Hem de deur wees – want vol is vol.

 

Wat als die geboorte van God niet in mij gebeurt?

vraagt Augustinus zichzelf en ons vandaag af,

want dat zij in mij gebeurt, daar hangt alles van af.

 

Hoe is het met ons gesteld?

Is er ruimte voor God om in ons geboren te worden?

Ook nu wij oud zijn en ziek misschien of gebrekkig?

Maken wij ruimte voor Hem in onze laatste levensfase?

 

Want dat is wat Hij het liefste wil en wil doen

en wel tot onze laatste zucht aan toe:

Hij wil in ons leven en zich uitleven in ieder van ons –

als bewarende liefde, als gunnende goedheid;

 

Hij zegt tot ieder van ons: jij mag er zijn zoals je nu bent:

onvolmaakt en in je eigen ogen wellicht minder wordend.

Maar in mijn ogen prachtig gemaakt en het leven waardig.

Leef dus, en maak elkaar het leven mogelijk,

zoals Ik jou het leven mogelijk maak.

Geef jezelf aan wie je tegenkomt,

zoals Ik mijzelf geef aan jou.

 

Dat lijkt moeilijk als je denkt dat je het zelf kunt en moet doen.

Maar het is niet moeilijk als je Hem zijn gang laat gaan in jou.

Als je zijn liefde voor jou niet voor jezelf alleen houdt,

maar vrijuit geboren laat worden uit jou.

 

Je verlies niets, zegt God, als je mijn liefde deelt,

want Ik blijf geheel in jou zolang als je leeft.

En toch stroom Ik geheel uit naar al wat is

als je Mij laat werken door jou.

 

God wil mens worden zodat de mens God kan worden.

Deze geboorte van God gebeurt aldoor,

Maar, wat als zij niet in mij gebeurt,

wat helpt me dat dan?

Dát zij in mij gebeurt, daar hangt alles van af!

 

Alleen als God zichzelf in ieder van ons kan wegschenken,

en wij Hem niet hinderen in zijn zelfgave,

alleen dan krijgt zijn koninkrijk gestalte in en onder ons.

 

Alleen dan worden wij zijn volk,

alleen dan wordt het lichaam van Christus,

zijn eniggeboren zoon opnieuw geboren op aarde.

 

Bij ons klopt Hij elke dag daartoe aan.

Doen wij Hem open om Hem binnen te laten?

Onze intentie, ons verlangen daartoe is al genoeg voor Hem

om in ons te komen en aan het werk te gaan.

 

God klopt elke dag bij ons aan,

hopend dat wij verlangend zijn Hem binnen te laten.

Want Hij gunt ieder van ons een zalig kerstfeest.

Overweging van zondag 13-12-2015 door p. Falco Thuis

Derde Zondag van de Advent
Lezingen: Sefanja 3,14-18a; Lukas 3,10-18

Beste Medegelovigen,
Zusters en Broeders,

Op deze derde zondag van de Advent, van ouds geheten “Zondag Gaudete”, horen wij in beide bijbel-lezingen woorden over werkelijkheden die haaks op elkaar staan: verschrikkelijke ellende en miserie, vervolging en ballingschap én aan de andere kant jubel en vreugde, hoop die doet leven. Wellicht dat deze twee werkelijkheden ook het wezen raken van ons leven hier en nu.
De profeet Sefanja is een van de kleine profeten in de tijd van Jeremias in de 7de eeuw vóór Christus. Het is een slechte tijd voor Israel, het volk is weggevoerd in ballingschap, en het leek de Thora, de wet van God, vergeten, het land bezet gebied. Overal soldaten in de straten.
Wie protesteerde ging de gevangenis in, of werd gekruisigd. Overal klonk de vraag: wanneer worden wij gered, wanneer bevrijd van deze terreur? Wanneer komt uiteindelijk de Messias, zo vaak aangekondigd? Sefanja spreekt over “de dag van de Heer” waarop de Heer ‘binnen de muren’ de Redder zal zijn voor een kleine rest van Israel, dat is omgekeerd van de weg van onwaarheid en ongerechtigheid, en zijn toevlucht heeft gezocht bij de Naam van de Heer. Sefanja roept deze mensen van gerechtigheid, die weten dat God als hun redder ‘binnen de muren is’, op tot jubel en vreugde. Vol hoop en vertrouwen weten zij zich reeds bevrijd.
In het Lucasevangelie vandaag horen we een zelfde boodschap van hoop. Ook hier is een profeet, een zeer groot profeet noemt Jezus hem, aan het woord: Johannes de Doper.
Hij is een stem in de woestijn. De woestijn is een beeld voor een wereld waar van alles ontbreekt, waar geen duidelijke rechte wegen zijn, waar mensen elkaar voorbijgaan als schepen in de nacht. De woestijn kent vele ontberingen van water en voedsel, waar mensen omkomen zonder dat iemand het in de gaten heeft, het is een werkelijkheid van dorheid en duisternis, van stuifzand en harde tegenwind zonder uitzicht waarheen. De woestijn is een onmenselijke wereld.
Johannes is de voorloper van Jezus Messias. Hij weet dat hij de weg bereidt voor Hem die groter is dan hijzelf. Zijn stem roept in de woestijn. Hij roept de mensen op andere wegen te gaan, zich af te keren van de weg van ‘onwaarheid en ongerechtigheid’, en het rechte pad in te slaan van bekering tot een leven menselijkheid en gaafheid.
Ook de boodschap van Johannes is een boodschap van hoop, en daarom van vreugde:
“Verheugt u, uw Verlosser is nabij”. De boodschap van een Verlosser die de mensen komt bevrijden staat niet los van de oproep van Johannes zich te bekeren en op het rechte pad te gaan van gaafheid en menselijkheid, de weg namelijk die Jezus Messias zal wijzen.
Beste Mensen, we weten dat geen mens zichzelf kan bevrijden, we ervaren dat elke dag en we zien het in de vele beelden in de media van wat mensen zichzelf en elkaar aandoen.
Gods Woord van de Bijbel geeft ons het uitzicht dat God de mens tegemoet komt en als het ware Zelf met ons de weg wil gaan in Jezus Messias, mens geworden Liefde. De profeten kondigen dit aan, soms duidelijk zoals bij Johannes de Doper, soms in bedekte termen zoals bij Sefanja. Vanuit zijn bewogenheid om de mens komt God ons tegemoet. Wij noemen dat ‘genade’, zonder verdienste van onze kant. Alleen God zal ons de genade schenken van volle bevrijding uit ongerechtigheid.
En toch , Zusters en Broeders, geldt ook in deze wereld van genade en geloof in Gods Gerechtigheid: “als je er niets voor doet, gebeurt er niets”! We kunnen niet met de handen over elkaar Gods bevrijding en Zijn Gerechtigheid gaan zitten afwachten, omdat dit alles je slechts als genade zal gegeven worden.
ADVENT betekent inderdaad verwachten, wachten, en dus ook afwachten, maar niet werkeloos en passief, eerder alert en waakzaam. “Als je er niets voor doet, gebeurt er niets”.
Dit is de boodschap van de profeet Sejanja en van de profeet Johannes de Doper in de bijbellezingen deze zondag.
In een eerder gedeelte van het boek ontmaskert Sefanja de zelfvoldane rijken, de schraperige handelaren, de onverzadigbare corrupte rechters en leiders, de valse bedrieglijke profeten en priesters die zich niet houden aan de wet. In dit proces van bekering en verandering zal de Heer God, die wordt voorgesteld als een koning, een nieuw volk maken van Jeruzalem, van Sion, van Israel, allemaal geliefde namen voor het volk van God. Maar intussen mogen hun handen niet verslappen! De profeet Sefanja kijkt over de ballingschap heen en ziet dat een nieuwe toekomst daagt.
Ook hoorden we Johannes in de eerste 5 verzen een duidelijke moraal preken in het licht van de komst van de Messias. ’Deel van je overvloed aan voedsel en kleding. Wees eerlijk en rechtvaardig. Buit mensen niet uit, en wees een tevreden mens. Zo breng je vruchten voort die passen bij bekering’. De oproep van Johannes de Doper op deze vreugdevolle Zondag Gaudete is streng en dreigend, zoals blijkt uit het slot van zijn prediking: “De wan heeft hij in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur”. Deze harde woorden van Johannes zijn voor een deel ontleend aan de profeet Sefanja.
Het bijbels visioen van “de dag van de Heer”, van de overwinning van het goede, kan steeds opnieuw beleefd en gevierd worden, ook van daag. Bij voorbeeld in wat wij gisteren mochten zien in de eindelijke totstandkoming van het verdrag van zo’n twee honderd wereldleiders tegen de opwarming van de aarde, zodat met meer zorg wordt omgegaan met het ernstig bevuilde milieu, waarvan de armen het meest slachtoffer zijn. Het visioen van de overwinning van het goede krijgt ook een begin van werkelijkheid in een groeiende solidariteit van volkeren om de miljoenen vluchtelingen op te vangen. En zou ‘de dag van de Heer’ ook niet nabijkomen in het stoppen van geweld, onmenselijkheid en verwoesting, veroorzaakt door de Islamitische Staat, waarbij wij allemaal worden bevrijd uit de spiraal van geweld?
Moge de boodschap van de profeten Sefanja en Johannes de Doper vandaag een Blijde Boodschap zijn van hoop, die ieder van ons in beweging zet om de weg vrij te maken voor Jezus Messias, de Vredevorst, die in de woestijn van onze wereld de onthulling wil zijn van Gods bevrijdende Liefde, van Gerechtigheid en Menslievendheid. AMEN

Overweging van zondag 30-11-2015 door pastor Leon Teubner

In de eerste lezing hoorden we van rampen

die het volk van God getroffen hebben.

Het volk is verzwakt door allerlei ziekten

en het land is onvruchtbaar geworden.

 

En men vraagt zich af:

Waarom heeft de Heer dat gedaan?

Het antwoord is verrassend:

Omdat zij zich afgekeerd hebben van de Heer,

omdat zij verlaten hebben het liefdesverbond van Hem.

 

Het is niet een straf van God die rampspoed brengt.

Het is doordat het volk zich afkeert van de liefde

dat de aarde onvruchtbaar wordt,

en het volk verzwakt wordt door ziekten.

 

Onze God is geen straffende en wrekende God,

die allemaal bijhoudt wat zijn mensen verkeerd doen,

om hen dan plotseling en ongenadig te straffen.

Hij is liefde om niet, uitnodiging tot leven.

Liefde die smeekt om liefde, maar niet dwingt.

 

Onze God heeft met ons een liefdesverbond gesloten,

waaraan Hij trouw blijft, altijd en onvoorwaardelijk.

Hij blijft zijn volk liefhebben, wat zij ook doen.

Maar zijn volk kan dat liefdesverbond de rug toekeren,

zijn mensen kunnen ontrouw worden aan zijn verbond.

 

Dan verdringen zij de God die liefde is uit hun hart,

en zetten er verslavende afgoden voor in de plaats

om te aanbidden: geld, kennis, macht en status,

om daarmee anderen te overheersen en de aarde uit te putten.

 

Daar creëert de mens zelf de rampen die hem overkomen, daar

waar hij het liefdesverbond met God verlaat omwille van zichzelf,

zijn eigenbelang en zijn onvervulbare drang naar veiligheid en geluk.

 

En als het dan goed misgaat, zoals we vandaag weer horen,

dan projecteert de mens zijn eigen vernietigende kracht op God:

 

Waarom heeft de Heer dat gedaan?

Vanwaar zijn grote woede?

 

Dan scheppen de mensen zichzelf een ongenadige straffende God.

Of zij stellen zich de vraag: Waarom grijpt de Heer toch niet in?

 

Het enige wat God echter doet is Zichzelf helemaal geven:

onvoorwaardelijke liefde die schooiert langs onze straten

en in de krochten van ons hart.

Wij zijn het die steeds weer blind worden

voor zijn liefdevolle aanwezigheid in al wat is.

Wij zijn zijn volk, die steeds weer zijn liefde de rug toekeren,

en die zo onvermijdelijk het gebied van de niet-liefde betreden,

en ziek worden van hart, en het goede niet meer zaaien.

 

Maar onze God blijft trouw en wacht geduldig af,

tot wij uiteindelijk onze ellende beseffen,

en weer mens willen worden met alle mensen.

 

In Jezus zien wij deze tot besef gekomen mens waarop God wacht.

Als Hij met zijn leerlingen bij de tempel staat, schouwt Hij:

Er zal een tijd komen waarin dit alles verwoest zal worden’.

‘Wat zal het teken zijn dat dit gaat gebeuren?’, vragen zij Hem.

Dan zegt Jezus tot hen:

 

Er zullen tekenen zijn aan de zon, de maan en de sterren,

en op aarde zullen de volken in paniek raken,

radeloos door het gebulder van de zee en de golven.

De mensen zullen het besterven van schrik en spanning

om wat de wereld gaat overkomen.

Deze dag zal komen over alle bewoners van heel de aarde.

 

Zijn woorden zijn bestemd voor elke generatie, ook de onze,

en zij roepen gemakkelijk herkenning op.

 

Donkere beelden die jaar in jaar uit op het journaal te zien zijn.

Van vluchtelingen die omkomen in de bulderende golven,

van duizenden die onze grenzen oversteken en om hulp vragen.

Bedreigende beelden die ons kunnen verleiden

tot brasserij of overbezorgdheid om ons leven.

Beelden ook, die barmhartigheid en mededogen in ons wekken.

 

Als Jezus nu zou leven zou Hij zien wat wij zien, maar herkennen:

God wordt met zijn volk gedood in Syrie en Irak en elders;

Hij verdrinkt met zijn mensen in de middellandse zee,

maar Hij wil in ons verrijzen als mededogen en barmhartigheid.

 

Het is God zelf die radeloos en verschrikt op de vlucht is;

het is God zelf die wanhopig onze harten verzachten wil,

opdat wij bewarend gaan leven en barmhartig worden zoals Hij.

 

Dat is het wat Jezus ons met zijn verhaal eigenlijk wil laten zien:

dat als deze verschrikkingen gebeuren, dat dan de mensenzoon komt.

De mensenzoon, dat is de mens die werkelijk mens wil worden.

 

Kijk er dan naar, zegt Hij, zoals je kijkt naar een vijgeboom.

Zodra je deze ziet uitbotten herken je als vanzelf

dat de zomer in aantocht is.

Zie en herken: ga zien wat niet onmiddellijk te zien is.

Als je de boom ziet uitbotten herken dan de zomer die er nog niet is.

 

Waarom deze nadruk op zien én herkennen?

Misschien wel omdat we bij dreiging en angst

voor de ondergang van onze eigen gemaakte wereld,

niet goed in staat zijn te herkennen wát we eigenlijk zien.

Wat wij zien is:

 

volken in paniek, mensen radeloos in de golven,

mensen die het besterven van schrik en spanning

om wat de wereld overkomt.

 

En onze reactie is: onszelf beschermen en de grenzen sluiten.

Maar als we dat doen, sluiten we ook ons hart af,

de plaats waar God in ons woont.

Gelukkig kan geen grens Hem tegenhouden,

en geen hart te hardvochtig zijn voor Hem.

 

Doorheen alle tekenen van radeloosheid, schrik en angst,

ziet en herkent Jezus Gods werkzame aanwezigheid.

 

Zie en herken, ja, God is bezig.

 

Zoals Gods zon- en groeikracht de boom opnieuw laat uitbotten,

zo zal Hij ook zijn koninkrijk naderbij brengen.

In al ons onvermogen en onze zelfbetrokkenheid laat God niet af,

zijn liefde in ons en in zijn schepping te blijven investeren.

 

Waar wij chaos creëren, schept Hij nieuw licht.

Waar wij verharden, probeert Hij ons hart zacht te maken.

Waar wij onrecht en onmenselijke verhoudingen organiseren,

wekt Hij in ons een verlangen naar bevrijding en bewaring.

 

Dat is de wonderlijke betekenis van de tekenen van deze tijd.

Vluchtelingen zullen komen over land en over zee.

En wij zullen in paniek raken en angstig reageren.

Kijk ernaar en herken, zegt Jezus: de zomer is nabij.

 

Wanneer vluchtelingen hun toevlucht bij ons zoeken,

wil God in ons gunnend en bewarend aan het licht komen.

Dat is de nadering van zijn koningschap:

niet buiten ons om, en vanuit een of andere hemel,

maar in ons, met ons en door ons – en anders niet.

 

Zie en herken:

God is bezig in ons – en nergens anders.

Dat wij zijn liefde beantwoorden met liefde

en zo met Hem meebewegen.