Overweging van zondag 28-2-2016 door p. Ben Wolbers

Overweging – Titus Brandsmaparochie Oss – 28 februari 2016

            Exodus 3,1-8a.13-15

            Lucas 13,1-9

 

Een jaar of tien geleden ging een goede vriendin naar de neuroloog. Zij kon plotseling niet meer schrijven, had geen macht meer over haar vingers. Na een eerste onderzoek kon ze onmiddellijk een scan laten maken. Dat gaf wel te denken, want meestal staat daar een wachttijd voor. Een lang verhaal kort: binnen anderhalf uur wist ze: een tumor met uitzaaiingen in de hersenen. Ze was in eerste instantie verbijsterd. Ze wist niet wat te zeggen. De arts doorbrak de stilte: “Wat denkt u nu mevrouw? Wat gaat er door u heen?”

Het antwoord van mijn vriendin maakte de dokter stil: “Tja, dokter, waarom ik niet?”

 

De meeste mensen reageren anders. Toen ik nog als pastor werkzaam was hier in Oss, in de Ruwaardparochie en later in een tweetal ziekenhuizen, heb ik dikwijls meegemaakt dat de eerste reactie op een slecht bericht schrik was, afweer, er niet aan willen, kwaadheid soms ook… “Waarom moet mij dit overkomen? Waaraan heb ik dit verdiend?” of: “Ik kan dit nu helemaal niet gebruiken…” Dit soort reacties is waarschijnlijk voor velen van ons begrijpelijker dan die reactie van mijn vriendin.

 

Toen, in Jezus’ tijd,  waren de reacties niet anders en leefde dit soort vragen ook: “Waarom? Waaraan verdienen wij wat ons overkomt?”  Ik ben nu in het evangelieverhaal. We vallen daar midden in een druk gesprek. Jezus heeft het met enkele mensen over de moord van Pilatus op bedevaartgangers uit Galilea. Die waren vermoord terwijl ze offers brachten in de tempel en daar aan het bidden waren. Kennelijk hadden de mensen tegen Jezus gezegd dat die bedevaartgangers wel grote zondaars moesten zijn geweest… die moesten wel iets op hun kerfstok hebben gehad… het moest wel een straf van God zijn, – anders zou hen toch zoiets niet kunnen overkomen…?

Dat is het moment waarop wij in dit gesprek vallen. We horen een felle reactie van Jezus.

“Denken jullie nu echt dat die bedevaartgangers grotere zondaars waren dan al die andere mensen die daar aan het bidden waren? Geen sprake van!” En dan roept hij nog een ander tragisch gebeuren in herinnering. Er was in Jeruzalem een stadspoort ingestort, de Siloam-toren, en daar waren achttien mensen bij omgekomen. “Denken jullie werkelijk dat die slachtoffers onder die toren meer schuld hadden dan de rest van de inwoners van Jeruzalem?” Geen sprake van! Het zou toch te dol zijn om dat te beweren…!

 

Het is blijkbaar van alle tijden dat mensen een verklaring zoeken, een reden, een waarom, als hen een ramp treft of een ziekte of zomaar tegenslag. En het is blijkbaar ook van alle tijden dat wij God daar bij betrekken. Waarom laat God dit toe? Wat hebben die mensen misdaan dat God hen zo straft?

 

Het antwoord van Jezus is duidelijk: “Bekeer je!” Dat wil hier zeggen: verander je manier van kijken… het is onmenselijk om zo over een ongeluk of ziekte te praten… En stap ook niet in de valkuil om bij tegenslag, ziekte of welke ramp ook, te denken dat zoiets een straf is van God.

 

Ik vroeg me af waarom Jezus zo fel reageerde. Om twee redenen, denk ik. Ik denk dat hij er niet tegen kon dat mensen zo’n beeld van God hadden. God is voor hem, voor Jezus, niet die schrikwekkende Macht ergens ver weg, die mensen straft met bomaanslagen, ziektes en rampen… zo is God niet… in de ogen van Jezus is God als een liefdevolle Vader… die recht wil doen aan alle mensen… Een tweede reden van zijn felheid is, denk ik, dat de reactie van die mensen in Jeruzalem eigenlijk een belediging is voor de slachtoffers: hen zondaars noemen, mensen op het verkeerde pad… betekent in feite dubbel leed voor hen én voor hun familie.. zij wáren al slachtoffer en dan werden ze ook nog eens zwart gemaakt… Zo wil God niet met mensen omgaan… en zo wil God niet dat wij met mensen omgaan… Hij laat het regenen over goede en slechte mensen, – zegt Jezus ergens anders. Voor God krijgen alle mensen, wie ze ook zijn, wat ze ook doen of gedaan hebben, steeds weer een kans, tot het uiterste toe…

 

Ik denk dat Jezus de mensen daarom daarna dat verhaal vertelde over een vijgenboom die al drie jaar lang geen vijgen meer heeft opgebracht. Een ramp natuurlijk voor de eigenaar, want die moet daarvan leven. En hij wil dan ook dat de boom verwijderd wordt. Maar de tuinman vindt dat veel te snel. Die ziet geen heil in zo’n snel oordeel. Die wil de boom nog een kans geven. God is als die tuinman.

 

Het is inderdaad een groot probleem én een groot mysterie dat sommige gebeurtenissen in ons leven en met name ongeluk en ziekte… vaak niet te verklaren zijn.. en dat we het gewoon niet wéten waarom ons iets gebeurt… Maar, zegt Jezus ons vandaag, laat dat ons nooit in de verleiding brengen om te denken of te zeggen dat het iemands eigen schuld wel zal zijn of dat God de schuld ervan is.. dan doen we die andere mens, zijn of haar familie én God ernstig tekort…

 

Hij is liefde, Hij is een God die ons allemaal blijft liefhebben en laat dat ons de kracht en de moed en de vindingrijkheid geven om elkaar voort te helpen en open tegemoet te treden.

 

 

Ben Wolbers O.Carm.

Osse dirigent Simon Tinnebroek (85) gelauwerd met gouden Gregoriusspeld

Beeldje

OSS – In een bijna volle Osse Jozefkerk kreeg de 85-jarige dirigent Simon Tinnebroek zondagochtend de gouden speld van verdienste van de Gregorius Vereniging. Al ruim 65 jaar zet de Ossenaar met Tilburgse roots zich in voor de kerkmuziek: hij dirigeerde in die tijd tal van koren in zijn geboortestad, in Oss en ook in Demen.

Momenteel heeft Simon Tinnebroek nog 3 (kerk)koren onder zijn hoede: het Canticum Novum en het Gelegenheidskoor van de Titus Brandsmaparochie en eens per maand het Osse Sterreboskoor. Met name met het herenkoor maakt hij nog vocale uitstapjes naar De Wellen in Oss en De Nieuwe Hoeve in Schaijk. Tijdens haar feestrede aan het eind van de drukbezochte viering ging Ineke Broers namens de parochie in op al deze werkzaamheden. “Als dirigent van ons Gelegenheidskoor, dat zingt bij rouwdiensten en ziekenmiddagen, dirigeerde je in een paar jaar tijd al honderd uitvaarten. Dat waren soms confronterende diensten, want natuurlijk gaan bij een uitvaart of avondwake je gedachten ook naar Marianne die je 3 jaar geleden hebt moeten afstaan.”S toespraak 2

In zijn dankwoord ging de jubilaris in op het thema ‘talenten’. “Ieder van ons heeft die meegekregen. Het is goed om die talenten te benutten en vooral ook te delen zodat we samen een betere wereld kunnen maken.”

Overweging van zondag 14-2-2015 op de Ministershof door pastor Leon Teubner

Elk jaar horen we aan het begin van de vastentijd

over de beproeving van Jezus in de woestijn.

Dat verhaal volgt onmiddellijk op de doop van Jezus.

Daar sprak de stem van de Vader tot Jezus en zei:

 

Jij bent mijn Zoon, mijn beminde.

 

Deze woorden van de Vader zijn ook voor ons bedoeld.

Via Jezus spreekt God hier vanavond tot ieder van ons:

 

Jij bent mijn Zoon, mijn Dochter, mijn beminde.

 

Durft u zich dat voor te stellen?

Ik, dit hoopje mens, wordt bemind door God, precies zoals ik ben?

Ik, die misschien minder en minder wordt, vereenzaam misschien,

Wellicht ook boos om het leven dat ik nu moet leiden?

Kunnen we die woorden dan wel toelaten in ons hart:

 

Jij bent mijn Zoon, mijn Dochter, mijn beminde.

 

En, als we dat kunnen, worden we dan ook niet een beetje bang

dat we dat morgen misschien niet zijn beminde zullen zijn,

en gaan we proberen zijn liefde zolang mogelijk vast te houden,

door er greep op te krijgen of zijn liefde te verdienen?

 

Jij bent mijn Zoon, mijn dochter, mijn beminde.

 

Meteen na deze woorden wordt Jezus door Gods Geest

veertig dagen de woestijn in geleid om daar beproefd te worden.

Beproevingen in de Bijbel zijn nooit nodeloze pesterijen.

Zij willen je ook niet beschamen of door de mand laten vallen.

Beproevingen willen het beste in ons mensen naar boven halen.

Zij beogen onze groei in liefde en de zuivering van onze motieven.

 

Maar waar werd Jezus nu eigenlijk op beproefd in de woestijn?

Jezus werd beproefd of Hij onvoorwaardelijk kind van God wilde zijn.

Hoe zijn leven er ook verder uit zou komen te zien.

 

Zou Hij ook Gods Zoon blijven óók als Hij niet zo goed zou voelen:

als Hij zonder brood zou zijn, zonder geld en zonder macht;

zou Hij ook Gods Zoon blijven als Hij honger lijdt en er slecht aan is,

als Hij net als wij, mens zou zijn en niet God,

wel kind van God, maar niet de Vader zelf …

 

Zou Hij álles durven ontvangen uit de hand van de Vader,

Het goede en het kwade, zonder de Vader daarbij zélf los te laten?

Zou Hij door dik en dun trouw blijven als kind van God?

Daar, zegt het evangelie, wordt Jezus in de woestijn op beproefd.

Het verhaal zegt ook dat Jezus de beproevingen doorstond,

en dat Hij, in kracht van Gods Geest, verder leefde

en de blijde boodschap die Hij had gehoord,

 

Jij bent mijn Zoon, mijn beminde.

 

de rest van zijn leven aan alle mensen verkondigde.

 

Ook aan ons verkondigt Hij die boodschap van de Vader:

 

jullie zijn mijn Zoon, mijn Dochter, mijn beminde.

 

Als wij met Jezus ja-zeggen op die blijde boodschap:

dan zullen ook wij, net als Hij worden beproefd.

Of ook wij ons aan de Vader toevertrouwen,

ongeacht hoe ons leven er ook uit zal zien.

Of ook wij ons door dik en dun laten leiden door de Vader – of niet.

 

Blijven wij Hem trouw, als onze conditie achteruit gaat?

Vertrouwen wij ons aan Hem toe, als het stiller wordt om ons heen,

wanneer steeds meer familieleden en bekenden wegvallen?

Als ons geheugen het meer en meer laat afweten,

als we lichamelijk meer en meer afhankelijk worden,

en gaandeweg het leven ons ontglipt?

 

Net zoals bij Jezus is de beproeving bij ons,

dat we kost wat kost greep willen houden op ons leven:

dat we bij honger van stenen brood willen maken;

dat we bij het ouder worden onze zelfstandigheid gaan aanbidden,

dat we ons opsluiten in onszelf en ons niet toevertrouwen aan God.

 

Dat we verbittert raken of depressief over ons leven,

en dat we onszelf en elkaar maar voorhouden:

een God die mij laat aftakelen, die hoeft voor mij niet!

 

Maar: zijn we in onze laatste levensfase

dan minder een beminde Zoon of Dochter van God?

Zou Hij meer van jongeren houden, dan van ouderen?

Bemint Hij ons minder vandaag dan dat Hij vroeger deed,

toen we van alles nog zelf konden en volop in het leven stonden?

 

Of geeft Hij ons nu juist de kans om contact met Hem te maken.

Nu we voelen dat wij kwetsbare en sterfelijke mensen zijn,

kan ons verlangen gewekt worden om Hem op te zoeken;

om ons opnieuw te laten leiden door zijn Geest,

en de beproevingen op onze levensweg met Hem te doorstaan.

Zoals Jezus deed in die lange tijd in de woestijn.

Hij kwam er krachtiger uit tevoorschijn,

en werd een steun en toeverlaat voor zijn naasten.

 

Dat wij ons met Hem toevertrouwen aan de Vader,

die ons nooit loslaat en altijd trouw blijft

en blijft zeggen:

 

Jij bent mijn Zoon, mijn Dochter, mijn beminde.

Overweging van Aswoensdag door pastor L.Teubner

In de 1e lezing uit de profeet Joël hoorden we:

 

Godsspraak van de heer:

‘Keer je naar Mij met heel jouw hart,

vastend, biddend, barmhartigheid beoefenend.’

 

Scheur je hart en niet je kleren,

keer je om tot de Heer je God,

want Hij is genadig en barmhartig,

toegevend en vol liefde.

 

Zo roept de profeet ons vanavond op,

aan het begin van deze 40-dagentijd.

 

Keer je naar Mij met heel je hart,

Scheur je hart en niet je kleren.

 

Het gaat bij God niet om uiterlijk gedrag,

d.w.z. het doen van barmhartigheid,

en het bidden en het vasten

voor het oog van jezelf en van de mensen.

 

Hij wil een open hart en niet onze mooie kleren,

Hij wil onze ontvankelijke binnenkant,

en niet onze zelfgemaakte buitenkant.

Hij wil in ons hart leven, bewegen en zijn:

 

Keer je naar Mij met heel je hart, zegt God,

vastend, biddend, barmhartigheid beoefenend.

Opdat Ik Mij keren kan in jou:

genadig en barmhartig,

toegevend en vol liefde.

 

Keer je om naar Mij en ik Mij keer naar jou.

Tegeninnigheid.

God wil één zijn met ons,

Ja, Hij wil ons eigenste zelf zijn,

zegt Meester Eckhart:

 

God wil uitsluitend en alleen zelf het eigenste van ons zijn.

Daarin liggen Zijn grootste geluk en vreugde.

En hoe meer en hoe omvangrijker Hij dat kan zijn,

des te groter is Zijn geluk en vreugde.

 

Als ons eigenste zelf wil God in ons wonen en werken.

Maar, wil Hij in mij tot gestalte komen,

dan zal ik ruimte moeten maken voor Hem.

Hij moet groter worden, en ik kleiner’

zei Johannes de Doper over Gods komst in zijn leven.

 

Wil God aan het licht komen in en onder ons,

als het eigenste eigen van ieder van ons,

dan zullen wijzelf uit het zicht moeten verdwijnen.

 

Dan zullen wij moeten opgaan

in het verborgene van zijn bestaan in ieder van ons.

Dat is het, wat Jezus ons als zijn leerlingen aanraadt:

 

Jij, als jij barmhartigheid doet,

keer je dan tot God met heel je hart,

en doe barmhartigheid in het verborgene,

zodat God die in het verborgene is,

jou ziet en barmhartig is in jou.

 

En jij, als jij bidt,

keer je dan tot God met heel je hart,

en bidt in het verborgene,

zodat God die in het verborgene is,

jou ziet en zelf de vervulling zal zijn van je bidden.

 

En Jij, als jij vast,

keer je dan tot God met heel je hart,

en vast in het verborgene,

zodat God die in het verborgene is,

jouw ziet en jou verzadigen zal.

 

Het verborgene van God binnengaan betekent

niet meer bezig zijn voor het oog van jezelf en de mensen;

dat betekent geen motief meer koesteren voor wat jij doet,

maar bewogen worden van binnenuit,

door het appèl van de ander en van de schepping.

 

Dat is Pasen, verrijzenis van God zelf in en onder ons.

Dat wij onderweg naar Pasen opgaan in de Verborgene,

om meer en meer met Hem te verrijzen.

 

Dat is het kruis dat Hij ons vandaag oplegt:

ons eigene te verliezen in Hem die ons eigenste is.

Dat wij zijn kruis opnemen en opgaan in het verborgene.