Overweging en gebeden van Kerstnacht 2016 Oss door p. Tom Buitendijk

Woord van welkom

Van harte welkom in deze viering van kerstnacht. Wie u ook bent, waar u ook vandaan komt, weet u welkom. Wij zijn vanavond niet alleen in deze feestelijk versierde Titus Brandsmakerk;  we zijn ook in de koude stal van Bethlehem. Wij zijn hier in deze kerk gekomen om warmte te vinden bij elkaar. In de donkere nacht van Bethlehem zoeken we naar licht. Daarmee heeft het Kerstfeest iets dubbelzinnigs: het is licht en donker. Het is, denk ik,  goed om bij dat dubbele gevoel stil te staan. Wij belijden dat onze Redder een Kind is en wij gedragen ons vaak als mensen die  zichzelf wel weten te redden. Willen wij een moment stil worden om te beseffen dat wij leven van ontferming , leven vanuit Gods vergevende liefde.  Daarna eren wij Hem in een loflied.

Openingsgebed.

Heer God, niemand heeft u ooit gezien. In uw Zoon Jezus bent u ons nabij gekomen. Hij is uw licht in  onze duisternis, ons heil en onze vrede. Open ons hart om Hem  te ontvangen en woning te bieden.

Mogen wij door Hem bezield  uw liefde en uw licht uitstralen zodat er vrede komen kan in onze verwarrende wereld. Dit bidden wij u door Christus onze Heer.

Gebed over de gaven

Goede God,  samen gekomen aan de tafel van breken en delen  bidden wij U om eensgezindheid van hart en geest. Mogen wij door deze maaltijd gesterkt worden om  ons leven met elkaar te delen in dienstbaarheid en gezamenlijke vreugde. Dit bidden wij u door Christus onze Heer.

Slotgebed

Goede God, U hebt uw volk getroost en bemoedigd. Gesterkt door uw liefdevolle nabijheid in het teken van het Kind willen wij onze vreugde uitdragen en met anderen delen. Mogen alle mensen van goede wil uit onze mond vernemen  dat vrede en gerechtigheid waar kunnen worden als wij in Jezus’ Geest mensen worden voor elkaar. Mogen wij eens de heerlijkheid zien van uw eniggeboren zoon die onze broeder is geworden.Dit bidden wij u door Christus onze Heer.

 

Het verhaal komt uit een dorpje in het Oosten van Polen waarin tot voor de Tweede Wereldoorlog veel joden woonde.  Een jongetje van een jaar of zes stormt huilende de kamer in van zijn opa die de rabbi van het dorp is.  De rabbi vraagt: “Mijn kind, wat is er aan de hand? Waarom huil je zo?”  De jongen antwoordt: “  We waren met zijn allen verstoppertje aan het spelen. Ik had me verstopt in de schuur  en ik zag ze telkens voorbijgaan. Zij zagen mij niet en toen zijn ze naar huis gegaan. Ze zijn vergeten mij te zoeken”.   “Dat is heel erg,”, zei de rabbi, “dat maakt God dagelijks mee. Hij is aanwezig onder de mensen, maar ze vergeten Hem te zoeken”. Met Kerstmis belijden wij dat onze Redder in de stal van Bethlehem ligt.  Maar wat betekent dat voor ons?  Is de viering van het Kerstfeest niet heel ver van de betekenis van het Christusfeest afgeraakt?  Kerstfeest – Christusfeest.  Heeft de viering van ons kerstfeest nog wel iets te maken met het Christusfeest? Probeer het eens met een paar woorden: kerstborrel, kerstbingo, kerstinkopen, kerstcadeau, kerstpapier, kerstsong, kerstboom.  Het Kerstfeest is het allermooiste feest geworden. Als je Christus  thuis laat, dan kan iedereen mee doen. Je hoeft er niet eens gelovig voor te zijn.  Kan dat voor u nu u in de kerk zit: Kerstmis zonder Christus?
Het is een ongemakkelijke waarheid dat de viering van Kerstmis en de Geboorte van Christus zo ver uit elkaar zijn komen te liggen. Onze prachtig versierde woonkamers en de schamele stal. De cadeaus onder de kerstboom en de eenvoudige gaven van de herders. Ons overvloedig eten en de pap waarin -op schilderijen- Jozef staat te roeren.  Onze gezellige saamhorigheid en de verlorenheid van Maria en Jozef  met hun kind voor wie geen plaats was in  de herberg. Een ongemakkelijke waarheid vraagt dat wij er iets mee doen. Het ongemak van het Kerstfeest is, denk ik, dat wij wèl de geboorte van een kind vieren, maar niet meer op zoek gaan naar de betékenis van het kind. Waar is het kind een teken van?  Die vraag stellen we ons niet meer, terwijl het antwoord op die vraag juist de Blijde Boodschap is: Heden is U een Redder geboren, Christus de Heer.  Wat betekent het dan dat de Heer komt als een Kind? Als we deze vraag eens onder ogen zien……
De geboorte van Jezus – hoe ellendig de omstandigheden ook waren – is eigenlijk niets  bijzonders. Het bijzondere en het goede nieuws is dat God zich verbergt in een Kind. Dat God zich verstopt en vraagt  zoek je mij? God wil gezocht en gevonden worden als onze Redder en Heer. We leven in onzekere en onrustige tijden. Oorlogen en  aanslagen geven ons een onveilig gevoel. Ook al groeit de economie, mensen die zorg nodig hebben, worden er niet beter van.  De komst van vluchtelingen uit Syrie en andere landen maakt dat mensen zich minder thuis voelen in hun buurt. Sterke mannen – en soms vrouwen – staan op en zeggen te spreken namens het  hele volk.  Ze noemen zich redder en bevrijder, maar bieden geen oplossing. Ze streven naar macht, maar weten niet hoe die positief te gebruiken. Zij beheersen het toneel van de wereld, maar overzien de ingewikkelde werkelijkheid niet.  Kunnen wij bij hen terecht als we zoeken naar een redder en een bevrijder? Het Goede Nieuws van deze macht is dat wij onze redder  juist niet  moeten zoeken bij wereldleiders met de grootste mond, met de sterkste legers, de zwaarste bommen, het modernste wapentuig. Onze redder en onze Heer is heden geboren: geen sterke man maar een kind. God komt als een Kind opdat wij weten dat onze allereerste zorg moet uitgaan naar kinderen die mèt ons en nà ons deze wereld zullen bewonen.  Onze kinderen hier samen met vluchtelingenkinderen uit Syrie, Eritrea en Malawi.   Het is trouwens een ongemakkelijke waarheid dat Jezus zelf een vluchtelingenkind is. Jozef en Maria ontvluchtten de dictatuur van de wrede Herodes. Kunnen we Kerstmis vieren en het kind Jezus niet willen ontvangen?  Hij verbergt zich tussen al die vluchtelingenkinderen en wil gezocht en gevonden worden.

 

De wereld wordt niet gered sterke mannen die de zaak wel even komen opknappen. Redding en bevrijding ontstaan pas wanneer wij gewone mensen hart hebben voor elkaar en door medelijden bewogen, zich voor elkaars heling en genezing gaan inzetten. God heeft hart voor mensen in moeilijkheden, nood en ellende. Daarin verstopt Hij zich en wil Hij gevonden worden. Hij heeft verdriet en huilt als het pools- joodse jongetje die ziet dat  mensen met boodschappentassen vol langs zijn schuilplaats lopen en vergeten Hem te zoeken. Hij wil gevonden worden.
Het is geestelijke armoe als wij Kerstfeest zonder Christus vieren. Maar de vreugde dat God zich vinden laat als wij naar Hem op zoek gaan,  is toch wel een bescheiden feestje waard.  Van harte wens ik u goede kerstdagen en een Zalig Kerstfeest.

Pastor

God in een weerloos kind bent U aanwezig.  Tot u bidden wij om redding en bevrijding.

Lector

Wij bidden deze nacht om Gods licht en ……om ónze hulp voor mensen die slachtoffers zijn van oorlog, terreur en geweld.  Voor Syrië vooral,  waar bommen van alle partijen het leven van kinderen verwoesten. Dat deze kinderen ons ter harte gaan.

S T I L T E   Laat ons bidden.

 

Lector

Wij bidden deze nacht om Gods toekomst en….. om ónze bijdrage voor kinderen in Malawi die met het HIV –virus zijn besmet. Dat deze beschadigde kinderen geheeld worden en hun menselijke waardigheid terug vinden.  Dat zij ons ter harte gaan.  S T I L T E   Laat ons bidden.

 

Lector

Wij bidden deze nacht om Gods nabijheid en …….om óns meeleven met mensen in ziekte, armoede en eenzaamheid.  In het bijzonder bidden wij voor verwaarloosde kinderen die zich niet veilig voelen in onze wereld.  Dat wij hen niet uit het oog verliezen.

S T I L T E   Laat ons bidden.

 

Lector

Wij bidden deze nacht  om Gods licht voor onszelf.  Dat wij onze ogen open houden voor Gods verborgen aanwezigheid in ons midden.

Dat wij Hem zoeken waar Hij zich vinden laat.

S T I L T E   Laat ons bidden.

 

 

Pastor

God in de geboorte van Jezus  bent u tot ons gekomen. Steek uw reddende hand uit en bevrijd ons uit onze verlorenheid. Doe ons wandelen in het Licht van Christus, de Heer.

 

Advertenties

Overweging van de 4e zondag van de Advent door p. Tom Buitendijk

 

U allen van harte welkom op deze vierde Adventszondag. Wij horen straks het geboorte verhaal van Jezus volgens Matheus. Het kind dat geboren wordt is een teken. Zijn éne naam is Immanuel – God met ons; zijn andere naam is Jezus: redder uit zonde. Dit kind zal nog vele andere namen krijgen. Al die namen houden beloften in. Beloften dat de toekomst goed zal zijn als wij ons aan dit Kind toe vertrouwen. We hebben drie kaarsen ontstoken aan de Adventskrans: de kaars van waakzaamheid; de kaars van bekering; de kaars van de vreugde dat het licht sterker is dan de duisternis. Deze vierde kaars is de kaars van vertrouwen in het teken van het Kind, vertrouwen in de toekomst. Wandelend in het licht zien we ook onze tekorten. Willen we zingend bidden om ontferming: Kyrie eleison.

Openingsgebed

God die vanuit verborgenheid tot ons wil komen, U weet hoe er wij nog verwijderd van U staan. Onthul ons uw aanwezigheid in de gestalte van uw mens geworden Zoon en breng ons tot de overgave aan Hem in geloof. Mogen wij naar Hem die ons tot uw gemeenschap maken wil, luisteren. Help ons in zijn geest mens te worden voor elkaar. Door Christus onze Heer. Amen

Gebed over de gaven

Goede God, mogen wij aan deze tafel waar u ons bijeen hebt geroepen. Uw tegenwoordigheid ervaren in brood en wijn. Dat wij de gezindheid leren van Uw Zoon die zichzelf gaf om ons te doen leven. Door Christus onze Heer. Amen

Slotgebed
God, als wij u zoeken bent u ons reeds nabij en midden onder ons aanwezig. Doe onze hoop herleven in Hem die wij hebben herken bij het breken van het brood.Wek in ons het vertrouwen dat u ons in Jezus reddend nabij wilt zijn, God – met – ons. Dit bidden wij u door Christus onze Heer. Amen

Overweging

We ontmoeten vandaag twee onzekere mensen: Achaz de koning van het kleine rijkje Juda met als hoofdstad Jeruzalem.  Het is overal oorlog om hem heen. Hij wil buiten die oorlog blijven. Hij heeft steun nodig. Hij wil ter bescherming een verbond sluiten met het machtige Assyrische Rijk. De profeet Jesaja bezweert Hem: “ Doe dat niet. Vertrouw op God de Heer; Hij zal je redden.” Maar Achaz durft God niet te vertrouwen. De andere onzekere figuur is Jozef. Hij is de verloofde van Maria. Hij komt tot de ontdekking dat zij in verwachting is. Zijn mannelijk vermogen tot vruchtbaarheid – zijn potentie – doet er niet toe. Hij is in zijn eer aan getast. Hij kan boos op haar worden en haar het huis uit zetten. Dat doet hij niet. Hij tempert zijn woede en wil in stilte weg gaan. Hij is immers een rechtvaardig en bescheiden man. Vanuit onze eigen onzekerheid kunnen we met beiden meevoelen: je hebt de gang van zaken niet in de hand. Onverwachtse gebeurtenissen kunnen je leven overhoop gooien. Je weet soms niet waar je je heil zoeken moet. Het leven is niet maakbaar. Je kunt niet krampachtig vasthouden aan je eigen plan. De werkelijkheid is anders. De hoogmoedige koning Achaz en de bescheiden en eenvoudige Jozef krijgen beiden een antwoord van Godswege.  Achaz mag God om een teken vragen. Hij wil dat liever niet, want als er werkelijk een teken komt, moet hij gehoorzamen! Hij wil het liefst zijn eigen zin doordrijven. Zich houden aan zijn eigen plan. De profeet Jesaja de grote tegenspeler van de koning, belooft dan namens God: de jonge vrouw zal een kind krijgen en zij zal hem noemen: Immanuel – God met ons. Dit Kind zal je redden en je volk buiten de oorlog houden. Jozef krijgt een droom. Dromen zijn manieren waarop God tot mensen spreekt. Hij droomt dat God hem zegt:” Neem Maria tot je vrouw. Haar kind is van Godswege. En jij, Jozef, moet hem Jezus noemen. Hij zal zijn volk redden uit hun zonden. Het staat al bij de profeet Jesaja: “zijn naam zal zijn: God met ons”.
Waar ligt de redding van mensen in nood? Waarvan kun je zeker zijn? Beide onzekere mannen horen: “stel je vertrouwen op God alleen; vertrouw je leven toe aan een Kind dat komen zal; Hij zal zijn volk beschermen en redden uit hun zonden.” Het is het waagstuk van eigen plannen los laten; het betekent onbekende wegen gaan; je wordt gevraagd je laten leiden door een Kind dat komen zal. In kinderen zal je ‘God met ons’ ontmoeten.
Wij lezen deze verhalen met het oog op Kerstmis. Wat kan het Kerstfeest betekenen voor ons in ons in onzekere tijden? Betekent de geboorte van Jezus ook voor ons redding uit de zonden? Ik weet best wel dat als u kerstinkopen gaat doen, de kerstboom optuigt en het kerststalletje neer zet, dat u dan niet denkt aan redding uit de zonden. Daarom is het goed om er hier in de kerk toch maar even op in te gaan. Toegegeven: zonde is een moeilijk woord. Maar het is niet zinloos om het er over te hebben. Misschien kunnen we zonde het best omschrijven als elkaar ongelukkig maken of ook: weigeren elkaar gelukkig te maken. De samenleving gaat niet ten onder omdat wij kwade dingen doen, maar omdat wij verzuimen het goede te doen. We doen niet die dingen waarvan je wéét dat je ze eigenlijk wel moet doen. We houden vast aan eigen plannen ook al doen we daarmee een ander tekort. Verbeteringen en veranderingen houden we tegen omdat ze je geld en moeite kosten.
Ik denk dat er veel onzekerheid in de samenleving bestaat en groeit door een zondige mentaliteit. We hebben niet in de gaten dat we daaraan lijden. Preciezer gezegd: Onze samenleving is gericht op de welvaart van de individuele mens – het ikke. En dat ikke is in voortdurende concurrentieslag met de ander. Samenleven gaat langs de wegen van het wantrouwen. Als de ander maar niet méér heeft dan ik heb. In onze samenleving telt alleen het economisch nut. Ook zorg, ook kunst, ook hulpverlening moeten tegenwoordig economisch nuttig zijn. Wat kan ik aan jou verdienen? is de vraag waarmee we elkaar tegemoet treden. Deze zonden van de samenleving werken als gif in ieder van ons door. Het meest erge is wel dat we niet meer geloven in de uitwerking van goede daden en dat we ze daarom maar niet meer doen. Maar het kan anders! Met een collecte voor HIV-kinderen in Malawi redden we niet heel Afrika van de Aids-ziekte. Misschien redden we wel een kind dat later een goede arts wordt. Ook al bestrijden we de armoede in Nederland niet met een kerstpakket maken voor een gezin in de buurt. We brengen wel licht en feest in de harten van mensen. Wanneer we straks kerstcadeautjespapier scheiden van het plastic hebben we niet de aarde gered, maar we werken wel mee aan een schoner milieu. We moeten geloven dat kleine daden die op het niveau van de geschiedenis niets te betekenen hebben, het begin kunnen zijn van een heel nieuwe toekomst.
In een uithoek van de wereld kreeg Maria, een ongehuwd meisje, een kind. Haar verloofde Jozef wist van niets. In een droom hoorde hij de naam Immanuel, God met ons. Zijn geboorte is niets bijzonders. Maar toen mensen zich aan dit Kind gingen toevertrouwen kwam er toch een begin aan een nieuwe wereld. De mogelijkheid van vrede op aarde voor alle mensen van goede wil. Volgende week gaan we dit feestelijk vieren.

Pastor

Bidden wij met vertrouwen tot God. Dat Hij in onzekere tijden onze zekerheid is.

Lector

voor mensen die door ziekte, baanloosheid of tegenslag zich onzeker voelen in deze samenleving. Dat zij op God blijven vertrouwen en van Hem nieuwe toekomst blijven verwachten.

S T I L T E  Laat ons bidden.

Lector

voor mensen die verantwoordelijkheid dragen in kerk en samenleving. Dat zij in moeilijke tijden niet alleen vertrouwen op menselijke macht, maar ook kracht en steun zoeken bij  U, o God.

S T I L T E  Laat ons bidden.

Lector

voor de moeders en kinderen in Malawi die met het HIV- virus zijn besmet. Dat zij het vertrouwen in het leven niet verliezen; dat zij mogen rekenen op ons gebed, meeleven en financiële steun.

S T I L T E  Laat ons bidden.

 

Lector

voor alle mensen die zich voorbereiden op het Kerstfeest. Dat wij ons hart openstellen voor Immanuel, God – met ons. Dat wij  de vreugde en de vrede die van Hem uitgaat ruimhartig willen delen.

S T I L T E  Laat ons bidden.

Pastor

God, bij U die  tot ons komt al een Kind vinden wij onze zekerheid. Leer ons zo leven dat onze kinderen toekomst vinden. Dan zal deze wereld vredig en veilig zijn. Dit bidden wij  u door Christus onze Heer. Amen.

Overweging van zondag 11-12-2016 door pastor Leon Teubner

Waarnaar bent u uitgegaan om te gaan zien?  vraagt Jezus aan zijn volgelingen. Waarom bent u uitgegaan naar een woestijn? Naar een plek waar niets te zien is, waar geen wegen zijn, waar elke oriëntatie ontbreekt.
Wat bent u daar toch gaan zoeken, wat verlangde u, waar hoopte u op?
Waarom zijn wij vandaag thuis weggegaan? Waarom zijn wij hier samen bijeen in deze kerk? Wat verlangen wij hier te zien en te horen?
Verlangen wij ook zo naar het koninkrijk van God, zoals Jezus? Hopen wij ook zo op de komst van de Messias, zoals Johannes de Doper? Geloven wij ook in de komst van God in ons eigen leven? Is dat waarom wij vandaag uit onze huizen zijn gegaan, om dat geloof hier samen met elkaar te delen en te verdiepen? Als dat zo is, dan zijn we samen met Jezus en Johannes op weg. U en ik, samen met het Woord van God. Zijn Woord zal gaandeweg ons oog scherpen om te gaan zien wat nauwelijks te zien is: het naderende koninkrijk van God hier en nu. Dat dit samen uitgaan met Jezus geen gebaande weg is, dat zien we aan de ergernis van Johannes de Doper. Hij die eerder zei: ‘Na mij komt een die groter is dan ik’, hoort nu over de werken van de Messias en vraagt zich af: Jezus van Nazareth, ben jij wel de komende,  of moeten we een ander verwachten? Jezus laat hem antwoorden: Op de goede weg met Mij is hij, die zicht niet ergert aan iets in mij.  En dan wijst Hij meteen de blik van Johannes van zichzelf weg naar iets anders, en zegt tegen hem: Zie, blinden zien weer, lammen lopen weer,  doven horen weer, zieken worden weer gezond, doden worden weer levend, armen horen het goede. Waarom ergert zich Johannes aan de werken van de Messias? Het is toch prachtig dat blinden weer zien, doven weer horen en doden weer opstaan? Maar Johannes ziet daarin niet de komst van Gods koninkrijk. Waarschijnlijk  verwacht hij met de meesten van zijn tijdgenoten een heel andere komst van God, een die het volk zal bevrijden van de Romeinen,  en die het koninkrijk van David zal herstellen. Een komst die het oude paradijs op aarde zal herstellen. Johannes moet anders leren kijken,  maar kan dat pas als hij zijn eigen denkbeelden loslaat. Zijn eigen denkbeelden over de komst van het koninkrijk van God en die van de Messias. Hij zal zijn zelfgemaakte beelden daarvan loslaten, om zo te gaan leren zien met de ogen van God, die zijn mensen op een heel andere manier bevrijden zal: Zie, blinden zien weer, lammen lopen weer, doven horen weer, zieken worden weer gezond, doden worden weer levend, armen horen het goede. En ook de mensen die met Jezus meetrokken moesten leren zien wat werkelijk al is: het naderen van Gods koninkrijk in hun leven. Zij zijn hun huizen uitgegaan om een profeet te gaan zien, een verkondiger van het woord van God in de woestijn. Ten minste, dat dachten zij toen zij gingen. Maar Jezus opent nu hun ogen voor wat zij nog niet zagen: Toen jullie zijn uitgegaan, wat zijn jullie toen gaan zien? Een profeet? Ja maar, jullie hebben toen veel méér dan een profeet gezien. Wat is dan dat méér dat zij toen niet hebben gezien? Zie, zegt Hij, jullie hebben niet alleen Johannes,  maar een engel, een bode van God gezien, jullie hebben gezien over wie de profeet Maleachi met de woorden van God zelf geschreven heeft:

Zie, Ik zend mijn bode op mijn weg voor jullie uit.  En terstond zal de Heer dan zijn heiligdom binnentreden, de Heer naar wie u verlangt, de bode van het verbond, naar wie u met vreugde uitkijkt. Zie, Hij komt – zegt de Heer van de machten.

Johannes is de bode waarover Maleachi heeft geprofeteerd. Maar in Johannes, zegt Jezus, komt God zelf aan het licht. In Johannes vangen wij een glimp op van zíjn koninkrijk. Het is God zelf die terstond aanwezig komt in het woord van Johannes. Zo treedt de Heer naar wie wij zo verlangen onmiddellijk binnen in Zijn heiligdom, het heiligdom dat wij mensen zijn. Wij zijn het huis van de Heer, in ons wil Hij wonen.  Waarom zijn wij uit ons huis gegaan vandaag om hier te zijn? Is het niet ons verlangen naar de komst van God in ons leven, naar de geboorte van de Messias in ons, naar de komst van zijn koninkrijk onder ons op aarde? Als wij dat werkelijk verlangen, dan zullen wij met Johannes  onze eigen gebaande wegen moeten verlaten. Dat zijn de wegen waarop wij denken zelf het koninkrijk van God te kunnen of te moeten maken.

Dat is geen gemakkelijke opgave, geen gelopen koers. Dat is het gaan van een onbestemde en altijd ongekende weg. Als wij gaan meebewegen met ons verlangen naar Gods komst, dan zullen wij als vreemdelingen ontheemd raken, als wijzen uit het Oosten, op zoek naar Gods koninkrijk, die elke dag weer de ster van hun verlangen volgen.

Daarom spreekt het waarschuwende woord van God ook tot ons:  Maar wie verdraagt de dag van mijn komst? Wie kan mijn komst bevatten? Wie blijft er staande, als Ik in mijn bode, mijn Woord, verschijn? Niets van onszelf zal staande blijven  als God werkelijk tot Stem in ons leven wordt. Want dan zullen wij zijn als blinden die echt gaan zien, als doven die waarlijk gaan horen, als doden die opstaan en werkelijk gaan leven. Dan zullen wij de komende zijn van God uit De Messias, het lichaam van Christus, En hoeven wij geen anderen meer te verwachten. Laten wij ons hart openen voor God, voor zijn Woord, om het lichaam van Christus te worden. Dat wij deze Advent uitzien naar zijn komst in ons.

Overweging van 2e zondag van de Advent 4-12-2016 door p. Tom Buitenduik

Inleiding

Van harte welkom deze tweede zondag van de Advent. Vandaag ontmoeten we de Adventsfiguur bij uitstek: Johannes de Doper.Hij roept met felle woorden op tot bekering.Hij brengt dezelfde boodschap als Jezus zal brengen:“ Bekeert u, wat het rijk Gods is nabij”. Johannes wijst ons op Jezus in wie het Rijk van God daadwerkelijk gestalte krijgt. Vandaag luisteren wij naar Johannes om des te sterker in Jezus te geloven. Terwijl wij zingen bidden om ontferming ontsteken we twee kaarsen aan de Adventskrans.

Overweging 

Een van de tv programma’s di e ik altijd weg zap, is De Wereld Draait Door.  Maar afgelopen woensdag hoorde ik Matthijs van Nieuwkerk aankondigen  dat de 85 jarige Jan Terlouw een boodschap had voor Nederland. Met heldere stem en helemaal uit zijn hoofd sprak Jan Terlouw over twee problemen die de aandacht van ons allen vragen: de zorg om de aarde en om al wat daar leeft, mens, plant en dier; de zorg om vertrouwen in elkaar en om vertrouwen in het politieke leven. Als wij willen en ons eraan wijden, kàn de aarde een paradijs zijn; als wij erop aan kunnen dat politici onkreukbaar zijn en het algemeen belang dienen, dan kunnen we de grote problemen nu oplossen. In plaats van ze door te schuiven naar komende generaties. Met een snik in zijn stem zei hij: “ik heb een mooi leven gehad en ik gun de jonge mensen van vandaag een mooie toekomst op een veilige aarde en in een vredige wereld “. Jan Terlouw  droomde hardop dat de nieuwe wereld waar kan worden. Ik vond het mooi! Het leek wel of de profeest Jesaja in DWDD te gast was.

De profeet Jesaja spreekt op het moment dat het volk Israël in groot gevaar is. Het Assyrische leger trekt op: verwoestend, vernietigend, plunderend en dodend. De stad Jeruzalem van toen dreigt het Aleppo te worden van vandaag. Straten waarin vluchtende mensen de dode lichamen van dierbaren achter laten. Een Syrische jongen zei: “Hier ligt mijn moeder, daar ligt mijn zus, ik moet gauw verder als ik nog wil leven”. Op dat zwartste moment zegt de zachtmoedige profeet Jesaja: de stronk van Jesse zal opnieuw uitlopen. Uit het geslacht van koning David, de zoon van Jesse, treedt een nieuwe mens naar voren. Een man vervuld met de goede Geest van God. Betrouwbaar. Onkreukbaar. Met het oog gericht op kleine mensen opdat ook die tot hun recht komen.
Als wij ons vertrouwen stellen in deze nieuwe mens, dan zal heel de schepping delen in die vreugde en in die vrede. Alle angst zal verdwijnen: tussen mens en dier, tussen dieren onderling. De Geest van de Heer zal het Aanschijn van de aarde vernieuwen. De geschonden wereld wordt weer paradijs.  Zonde en kwaad zullen voorgoed uit de stad verdwijnen en iedereen mag delen in de overvloedige liefde van God voor ons mensen. Wie de zoon van Jesse vertrouwt, zal in zijn goede Geest gaan leven. In de zoon Jesse, in die messiaanse figuur zien wij Jezus van Nazareth. een man die helemaal vervuld is van de Geest van de Heer. Johannes de Doper ziet naar Hem uit en verkondigt zijn komst: na mij komt hij die sterker is dan ook; hij komt u dopen met Heilige Geest. Ook Johannes is een profeet. Ook hij droomt van een nieuwe wereld zoals Jesaja doet. Hij voelt de nabijheid van de Messiaanse mens al aanwezig. Hij verlangt dat de Messiaanse figuur zijn Rijk zal beginnen. Hij wacht tot Jezus zich zal openbaren.
Maar, gelooft Johannes, de Messias kan pas komen als er een volk is dat Hem aanvaarden wil. Zoals eens de profeet Elia met kracht en geweld de Naam van God hoog hield en mensen bezwoer trouw te blijven, zo gedreven en hartstochtelijk roept Johannes op tot bekering. Tot verandering van gezindheid. Tot een leefwijze waarin gerechtigheid geschiedt. Tot een leven waarin niet mijn wil maar Gods wil geschiedt. Johannes de Doper is verre van een zachtmoedige dromer zoals Jesaja. Hij is een felle verkondiger die je op harde wijze de waarheid onder ogen breng.  Je noemt je wel zoon van Abraham en kind van God, maar je weet niet eens wat gerechtigheid, wat naastenliefde, wat Godsvertrouwen is! Waar zijn je vruchten van bekering? Wat doe je concreet om de komst van de Messias mogelijk te maken?Waar is jouw betrokkenheid op de nood van de ander? Belijd je fouten en tekorten! Kom dan door het water heen om een nieuw begin te maken. Om een leefstijl te ontwikkelen die bij het Rijk van God past. Door deze oproep stelt Johannes ons de vraag: jouw leefstijl, jouw manier van omgaan met andere mensen, heeft dat wat te doen met het Rijk van God waarnaar je zegt te verlangen? Vandaag klink de vraag zo: heb ook ik bekering nodig? Moet ik mijn leefstijl nodig herzien? Brengt mijn christen zijn de nieuwe wereld nabij? Waar Jesaja ons een droom voor houdt van een paradijselijke toekomst waarin mensen en dieren samen wonen en heel de aarde vol is van liefde tot God; waar Johannes de Doper ons scheldend en dreigend oproept ons leven onder ogen te zien en verandering van levensstijl van ons vraagt; daar laat Jezus zien dat dromen zelf tot verandering van leven leidt; dat visioenen krachtige en machtige aanzetten tot vernieuwing zijn; dat wij dromende en daadkrachtige mensen kunnen worden. Wat Jezus laat zien is dit: geen goede daad zonder oprecht gebed; geen opbouw van de samenleving zonder droom van het paradijs; geen vernieuwing van de kerk zonder verlangen naar Gods aanwezigheid; geen actief christendom zonder een meditatief christendom; geen geloof zonder bekering. Het tv programma heet dan wel De Wereld draait door, maar zonder bekering, zonder nieuwe leefstijl, holt de wereld achteruit. Nog altijd zijn er mensen nodig  die openstaan voor de Geest van God. Voor de geest van wijsheid en verstand, de geest van goede raad en heldenmoed, de geest van liefde en eerbied voor God. Wij worden uitgenodigd die mensen te zijn!

Pastor: 

Bidden wij met verlangen om de komst van Jezus, onze broeder en Heer.
Lector

Wij bidden om herstel van vertrouwen in de leiders van kerk en samenleving. Dat zij die verantwoordelijkheid dragen werkelijk het algemeen willen dienen. Dat zij oprecht bezorgd zijn voor mensen aan de rand en aan de onderkant. Help ons onze instellingen gezond te maken en dienstbaar aan de mensen voor wie ze bedoeld zijn.

S T I L T E   Laat ons bidden.

Lector

Wij bidden om hoop voor onze geschonden aarde.Dat de droom van een paradijselijke wereld ons kan aanzetten tot een zorgvuldig omgaan met planten en dieren, met heel de natuur. Dat ons verlangen naar vrede ons  aanspoort om vredesinitiatieven te nemen. Help ons de daad te voegen bij de droom.

S T I L T E   Laat ons bidden.

Lector

Wij bidden om de moed ons te bekeren en om een nieuwe leefstijl te ontwikkelen. Help ons eerlijk naar onszelf te kijken en onze zwakheden onder ogen te zien. Sterk ons dan met de gaven van uw Geest .

S T I L T E   Laat ons bidden.

 

Lector

Wij bidden voor Malawi, een van de armste landen van Afrika. Dat ons verlangen naar een goede gezondheidszorg  zich uitstrekt naar goede verzorging daar. Dat wij meebouwen aan een kliniek voor Aids –wezen en HIV – besmette kinderen.

S T I L T E   Laat ons bidden.

 

Lector

Wij bidden voor onze parochie: voor de zieken, de bedroefden en de eenzamen. Om licht en toekomst. Voor Nicole Peeters en Maarten Bach die zijn getrouwd. Om Gods zegen over hun huwelijk .

S T I L T E   Laat ons bidden.

 

Pastor

Eeuwige God, doe ons geloven in dromen en werken aan een wereld waarin Jezus, uw Zoon, komen kan. Dit bidden wij u door Christus onze Heer.

Amen.

Lezingen van de eerste zondag van de Advent door p. Tom Buitendijk

Inleiding

We beginnen vandaag een nieuwe cyclus (A) van het kerkelijke jaar met de eerste zondag van de Advent.
In de tijd vóór Kerstmis neemt de kracht van de zon af. De dagen worden korter, de nachten langer. De donkere dagen van december staan voor de deur. We verlangen naar de lente. De periode van dit natuurlijke uitzien naar de lente, naar het licht, naar een nieuw begin, kreeg van de kerk de naam ‘Advent’. Advent betekent: ‘aankomst’ of liever nog ‘komen’, ‘het komen van Jezus’. In de Advent kijken we uit naar de komst van Christus, de ‘Zon van Gerechtigheid’, het ‘Licht van de wereld’. Daarom steken we op deze zondag de eerste kaars van de Adventskrans aan. Over vier weken zullen alle vier de kaarsen branden.
De Advent kan echter twee betekenissen hebben. Enerzijds is het de voorbereidingstijd op het feest van de eerste komst van de Heer, het Kerstfeest. Anderzijds vraagt de liturgie van de Advent óók aandacht voor de tweede komst van de Heer ‘op het einde der dagen’. Beide komsten van de Heer roepen ons op tot waakzaamheid, tot een goede voorbereiding. Voor de wederkomst van de Heer (parousia) geldt een speciale alertheid op het plotselinge en onvoorziene karakter van die wederkomst.

Matteüs 24,37-44
Onze lezing uit het evangelie spreekt vandaag over die tweede komst van de Mensenzoon, voor het Laatste Oordeel. Hij roept op tot waakzaamheid: ‘Weest waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt’ (Mat. 24,42).
De mensen in de tijd van Jezus hanteren een andere tijdsopvatting dan wij. Ons Westers tijdsbegrip is vooral kwantitatief. Wij meten de tijd in uren, dagen en jaren. Die duren overal even lang. Bij ons krijgt de hoeveelheid aan tijd de aandacht. Bij de tijdgenoten van Jezus, en dus ook in de Heilige Schrift, staat niet de kwantiteit maar de kwaliteit van de tijd centraal. Bij hen gaat het vooral om de beleving van tijd. Tijd kan gevulde tijd of lege tijd zijn. De lege tijd van wachten duurt veel langer dan de gevulde tijd van het ontvangen. Ook voor onze ervaring gaan blijde dagen veel sneller voorbij dan droevige tijden.
De eerste christenen worden zich ervan bewust dat het nog wel eens een hele tijd kan duren voor de Heer wederkomt. De waakzaamheid verslapt in de kerk. Het wachten op Christus begint te ontaarden in een zalig nietsdoen. In zo’n situatie is niet langer de boodschap van de nabijheid van de wederkomst van Jezus van actueel belang, maar veeleer het plotselinge en onvoorziene karakter van die wederkomst. Dat is de hoofdzaak van de evangelielezing van de eerste zondag van de Advent.
Toch geeft hoofdstuk 25 van Matteüs, dat hierbij aansluit, een verrassend duidelijk antwoord op de vraag wannéér die dag van de Heer komt. In de beschrijving van de tweede komst van de Heer in dat hoofdstuk (Mat. 25,31-46) valt op dat het accent ligt op de tijd voorafgaande aan het Laatste Oordeel. ‘Voorwaar ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een van de geringsten van mijn broeders hebt gij voor mij gedaan’ (Mat. 25,40). Dit betekent dat telkens als wij een medemens in nood tegenkomen, wij onze Rechter ontmoeten. Nú reeds wordt ons lot beslist door onze houding ten opzichte van onze noodlijdende zusters en broeders.
Hiermee is de vraag naar het wanneer van de wederkomst des Heren beantwoord. De Heer staat onverwacht voor ons in de noodlijdende medemens hier en nu. Dus tóch een plotselinge en onvoorziene komst van de Heer, echter niet in de toekomst maar vandaag al.
Wat houdt dat Láátste Oordeel dan voor ons in? Het Laatste Oordeel op het eind der tijden is slechts een openbaar maken van wat zich nú al, in de ogenschijnlijke banaliteit van ons dagelijks leven afspeelt. Je zou dat Laatste Oordeel kunnen vergelijken met een plechtige diploma-uitreiking. De eigenlijke beslissing is al eerder gevallen in de ontmoeting van de leerling met zijn examinator. De uitslag wordt bij het Laatste Oordeel alleen maar bekend gemaakt.
Als dat zo is, dan is waakzaamheid, alertheid ieder moment van de dag geboden. De Heer kan elk ogenblik voor ons staan in de persoon van een medemens die een beroep op ons doet. Dan is de Heer inderdaad gekomen.

Jesaja 2,1-5
De liturgie wil ons aan de hand van een visioen van de profeet Jesaja (ca. 750 vChr.) een idee geven van dat Laatste Oordeel. Hierbij valt het universele karakter daarvan op (‘alle volkeren’, ‘talloze naties’ [2x] ‘trekken op naar de tempel van de Heer’). Daarom is dit visioen geschikt ter voorbereiding van onze evangelielezing. Zij heeft immers ook de hele mensheid in het vizier (zelfs ‘de mensen van vóór de zondvloed’ (Mat. 24,37). Het thema van in beweging komen is het belangrijkste. Liefst vijf keer is er in deze korte tekst sprake van ‘optrekken’, ‘wandelen’. Zo komt het mooie oudtestamentische thema van ‘wandelen met God’ onder onze aandacht. Wie weet tegenwoordig nog wat dat is, ‘wandelen met God’? Het klinkt archaïsch. Je ruikt als het ware de negentiende eeuw. Tegenwoordig hebben wij het liever over ‘spiritualiteit’. Maar ‘wandelen met God’ is wel een stevig oudtestamentisch gegeven. Het betekent allereerst ‘wándelen’: je beide benen op de grond, zo aards als het maar zijn kan. Tegelijk duidt ‘wandelen met God’ op een constante relatie met de hemel. Dat houdt in: ‘leven in verbondenheid met God’. Henoch beleefde er een schone voleinding aan (Gen. 5,24). Maar ook God vindt er zijn vreugde in. God zegt in de Bijbel: ik wil met jou wandelen. Ik wil in nauwe verbondenheid met jou door het leven gaan. Dat zei God bijvoorbeeld al tegen Abraham (Gen. 17,1v). Zo spreekt God ook tegen ons (1 Joh. 1,6v). Als we allemaal ‘wandelen met God’, zal dat voor ons positief uitpakken: algehele vrede zal er op aarde heersen.

Romeinen 13,11-14
In deze lezing heeft ‘waakzaamheid’ de oorspronkelijke betekenis van ‘afzien van slaap’. Slaap hoort thuis in de nacht, zinnebeeld van de periode vóór Christus. De tijd die aan Christus voorafgaat, wordt voorgesteld als ‘de nacht die ten einde loopt’. Paulus bezigt het woord kairos, dat is een klassieke bijbelse term voor een theologisch gevulde tijd. Kairos staat hier voor de eindtijd oftewel ‘de laatste dagen’. Die zijn ingeleid door de dood en verrijzenis van Jezus. Dat is het tijdperk waartoe ook onze huidige tijd behoort, de periode van de strijdende kerk. De christen is een ‘kind van het licht’. Op dat ‘licht’ is een nieuwe levensstijl gebaseerd. De immorele gedragingen, typisch voor het rijk van de duisternis, kenmerkend voor het Romeinse nachtleven, mogen geen plaats krijgen in het leven van de christen. Die nacht van losbandigheid is voorbij. De dag van Christus is aangebroken. Dit is het fundament voor de ethiek die Paulus ons vandaag aanreikt.

Zie S.M.J.M. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

 

Preekvoorbeeld

Het evangelie van vandaag blijft, juist als laatste van de drie lezingen, ons het langste bij. Dit is, geloof ik, niet alléén omdat het de laatste van de drie is. Jezus’ woorden gaan ook niet gemakkelijk uit onze gedachten omdat ze zo dreigend klinken, zo onheilspellend.
Jezus heeft het erover dat wij waakzaam moeten zijn, en hij vergelijkt zijn komst met die van een dief in de nacht en met iets dat ons zo kan overvallen als de zondvloed dat indertijd, in de dagen van Noach, heeft gedaan.
Het blijft vreemd om zo te horen spreken over de komst van de Mensenzoon, juist vandaag, nu de tijd begint van het uitzien naar en het wachten op de komst van de Mensenzoon, straks, met Kerst­mis. Die komst heeft voor ons toch weinig onheilspellends. Die is toch vooral verbonden met vrede, met warmte in onze kille wereld, die nog eens extra kil is door de kilte van de winter. En voor ons heeft Kerstmis toch ook alles te maken met zoiets moois als de komst van het licht, midden in het donker van de lange winternacht.

Over ‘licht’ gaat het in de eerste twee lezingen. ‘Laat ons wandelen in het licht van de Heer’, roept de profeet Jesaja ons toe. En Paulus zegt dat wij de wapenrusting van het licht moeten aantrekken, en dat wij ons moeten gedragen als op klaarlichte dag.
Dit klinkt allemaal niet zo dreigend. Bovendien worden deze woorden voorafgegaan door de ver­kondiging van wat echt Goed Nieuws, Evangelie, mag heten. Jesaja ziet in een visioen hoe Jeruza­lem het lichtend middelpunt van alle volkeren zal zijn, en Paulus begint met te zeggen dat ons heil thans dichterbij is dan toen wij tot geloof kwamen. Zo worden de oproepen om te wandelen in het licht van de Heer en om de wapenrusting van het licht aan te trekken geen strenge orders of beve­len. Het zijn oproepen om de consequentie te trekken uit wat wij zijn: kinderen van het licht. Wij worden aangespoord ons te gedragen naar wat wij zijn: mensen die het licht uitstralen dat in ons is opgegaan, het geloof namelijk dat wij Gods mensen zijn.
Dat Jesaja en Paulus ons hiertoe oproepen, betekent dat dit kennelijk niet altijd gemakkelijk, laat staan vanzelf gaat. In ons is ook duisternis, ons geloof straalt niet alleen maar van ons af. Er is in ons ook wat het daglicht niet kan verdragen. Maar hoe dan ook: zonder te dreigen en zonder het on­heilspellende van het Evangelie van vandaag worden wij er aan herinnerd wie wij eigenlijk zijn en worden wij teruggetrokken naar het licht. Wij worden aangespoord zo te leven dat ook anderen aangetrok­ken worden tot het licht waarin wij leven, want wij zijn geroepen om uit te stralen wat de Mensen­zoon uitstraalt: de goedheid en de liefde van God zelf, die een einde maakt aan alle duisternis.
Wij leven in het geloof en de hoop dat ooit alle duisternis verdwenen zal zijn en er alleen maar meer licht is. Dit zal gebeuren bij de komst van de Mensenzoon.
Daarom vieren wij zijn komst ook juist met Kerstmis, op het donkerst van de dagen, midden in de winternacht. Wij doen dat dan met een zee aan lichten en lichtjes. Alle kerstkaarsen zullen er straks van getuigen, net zoals de Paaskaars dat doet, dat waar Christus, de Mensenzoon, komt en op ons leven beslag legt, geen duisternis meer is maar enkel licht waarin wij kunnen wandelen, en waarin alles wat wij doen gezien mag worden en het daglicht kan verdragen.
Het evangeliegedeelte van vandaag dat zoveel anders en strenger van toon is, is te verstaan als een ernstige confrontatie met de vraag: Waar hoor jij bij als de Mensenzoon komt: bij het licht of bij het donker? Heb je iets gedaan met wat Paulus zegt? Heb jij je bekleed met het licht? Heb je gedaan wat Jesaja vraagt: Heb je gewandeld in het licht van de Heer? Of heeft het donker in jou zo de overhand gekregen dat je bent gaan horen bij het donker dat wij met Kerstmis juist proberen uit te bannen en te verjagen, en dat voor het licht van Christus op de loop gaat? Ben je licht of ben je don­ker?
Nu, ons leven levend hier op aarde, zijn wij doorgaans nu eens het een en dan weer het andere. Wij zijn het allemaal een beetje door elkaar, licht en donker. Wij leven doorgaans een ietwat schemerig bestaan. Niet echt mensen van de nacht en ook niet echt mensen van de dag. Maar één keer zal de vraag beantwoord moeten worden: wat ben je, wat was je nu werkelijk? Deze vraag kan ons ieder ogenblik worden gesteld. De Mensenzoon kan met deze vraag in ons leven komen als wij er hele­maal niet op bedacht zijn.
De Adventstijd begint met een oproep daar toch vooral wel bedacht op te zijn. Hoe? Door in het licht te leven. Door geen nacht te zijn, waarin gedaan wordt wat het daglicht niet kan verdragen, en waarin de Mensenzoon alleen nog maar kan komen als een dief in de nacht. Door zo te leven, zou­den wij kunnen zeggen, dat wij straks, als wij het Kerstfeest vieren, niet zelf behoren tot het donker dat weggejaagd moet worden met al die talloze kerstkaarsen en lichtjes in de bomen.

Weest waakzaam. Dit hoort bij onze voorbereiding op de komst van de Mensenzoon. Wij moeten ervoor oppassen dat wij niet bij het donker gaan horen, dat bij de komst van de Mensenzoon wegge­vaagd zal worden.
De nadruk op de waakzaamheid is de inbreng van het Evangelie van vandaag. Dat wij niet bij het donker hoeven te horen, omdat wij de wapenrusting van het licht kunnen aantrekken en in het licht van de Heer kunnen wandelen, is de inbreng van de andere twee lezingen.
De drie lezingen van vandaag gaan dus over hetzelfde. Zij laten de twee kanten zien van dezelfde zaak. Zij laten zien welk een zegen het is om in het licht van het geloof te mogen leven, en zij laten zien dat dit iets is om serieus en ernstig te nemen, want ooit zal ons gevraagd worden of wij het ook hebben gedaan: gewandeld in het licht van het geloof. Of wij ook zelf het licht van de Mensenzoon hebben weerkaatst en dus bij hem hebben gehoord. Of wij, samen met hem, licht in het donker zijn geweest, duisternis hebben weggejaagd en er het onze aan hebben gedaan dat wij, als een Nieuw Je­ruzalem, het stralende middelpunt van Gods schepping zullen zijn.
Dat de drie lezingen van vandaag ons waakzaam maken en ons helpen om mensen van het licht te worden. Opdat ze dit zouden doen hebben ze tenslotte in ons midden geklonken, juist vandaag, op de eerste dag van weer een Advent, nu opnieuw het wachten begint op de komst van de Mensen­zoon, in het licht.