Lezingen van de eerste zondag van de Advent door p. Tom Buitendijk

Inleiding

We beginnen vandaag een nieuwe cyclus (A) van het kerkelijke jaar met de eerste zondag van de Advent.
In de tijd vóór Kerstmis neemt de kracht van de zon af. De dagen worden korter, de nachten langer. De donkere dagen van december staan voor de deur. We verlangen naar de lente. De periode van dit natuurlijke uitzien naar de lente, naar het licht, naar een nieuw begin, kreeg van de kerk de naam ‘Advent’. Advent betekent: ‘aankomst’ of liever nog ‘komen’, ‘het komen van Jezus’. In de Advent kijken we uit naar de komst van Christus, de ‘Zon van Gerechtigheid’, het ‘Licht van de wereld’. Daarom steken we op deze zondag de eerste kaars van de Adventskrans aan. Over vier weken zullen alle vier de kaarsen branden.
De Advent kan echter twee betekenissen hebben. Enerzijds is het de voorbereidingstijd op het feest van de eerste komst van de Heer, het Kerstfeest. Anderzijds vraagt de liturgie van de Advent óók aandacht voor de tweede komst van de Heer ‘op het einde der dagen’. Beide komsten van de Heer roepen ons op tot waakzaamheid, tot een goede voorbereiding. Voor de wederkomst van de Heer (parousia) geldt een speciale alertheid op het plotselinge en onvoorziene karakter van die wederkomst.

Matteüs 24,37-44
Onze lezing uit het evangelie spreekt vandaag over die tweede komst van de Mensenzoon, voor het Laatste Oordeel. Hij roept op tot waakzaamheid: ‘Weest waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt’ (Mat. 24,42).
De mensen in de tijd van Jezus hanteren een andere tijdsopvatting dan wij. Ons Westers tijdsbegrip is vooral kwantitatief. Wij meten de tijd in uren, dagen en jaren. Die duren overal even lang. Bij ons krijgt de hoeveelheid aan tijd de aandacht. Bij de tijdgenoten van Jezus, en dus ook in de Heilige Schrift, staat niet de kwantiteit maar de kwaliteit van de tijd centraal. Bij hen gaat het vooral om de beleving van tijd. Tijd kan gevulde tijd of lege tijd zijn. De lege tijd van wachten duurt veel langer dan de gevulde tijd van het ontvangen. Ook voor onze ervaring gaan blijde dagen veel sneller voorbij dan droevige tijden.
De eerste christenen worden zich ervan bewust dat het nog wel eens een hele tijd kan duren voor de Heer wederkomt. De waakzaamheid verslapt in de kerk. Het wachten op Christus begint te ontaarden in een zalig nietsdoen. In zo’n situatie is niet langer de boodschap van de nabijheid van de wederkomst van Jezus van actueel belang, maar veeleer het plotselinge en onvoorziene karakter van die wederkomst. Dat is de hoofdzaak van de evangelielezing van de eerste zondag van de Advent.
Toch geeft hoofdstuk 25 van Matteüs, dat hierbij aansluit, een verrassend duidelijk antwoord op de vraag wannéér die dag van de Heer komt. In de beschrijving van de tweede komst van de Heer in dat hoofdstuk (Mat. 25,31-46) valt op dat het accent ligt op de tijd voorafgaande aan het Laatste Oordeel. ‘Voorwaar ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een van de geringsten van mijn broeders hebt gij voor mij gedaan’ (Mat. 25,40). Dit betekent dat telkens als wij een medemens in nood tegenkomen, wij onze Rechter ontmoeten. Nú reeds wordt ons lot beslist door onze houding ten opzichte van onze noodlijdende zusters en broeders.
Hiermee is de vraag naar het wanneer van de wederkomst des Heren beantwoord. De Heer staat onverwacht voor ons in de noodlijdende medemens hier en nu. Dus tóch een plotselinge en onvoorziene komst van de Heer, echter niet in de toekomst maar vandaag al.
Wat houdt dat Láátste Oordeel dan voor ons in? Het Laatste Oordeel op het eind der tijden is slechts een openbaar maken van wat zich nú al, in de ogenschijnlijke banaliteit van ons dagelijks leven afspeelt. Je zou dat Laatste Oordeel kunnen vergelijken met een plechtige diploma-uitreiking. De eigenlijke beslissing is al eerder gevallen in de ontmoeting van de leerling met zijn examinator. De uitslag wordt bij het Laatste Oordeel alleen maar bekend gemaakt.
Als dat zo is, dan is waakzaamheid, alertheid ieder moment van de dag geboden. De Heer kan elk ogenblik voor ons staan in de persoon van een medemens die een beroep op ons doet. Dan is de Heer inderdaad gekomen.

Jesaja 2,1-5
De liturgie wil ons aan de hand van een visioen van de profeet Jesaja (ca. 750 vChr.) een idee geven van dat Laatste Oordeel. Hierbij valt het universele karakter daarvan op (‘alle volkeren’, ‘talloze naties’ [2x] ‘trekken op naar de tempel van de Heer’). Daarom is dit visioen geschikt ter voorbereiding van onze evangelielezing. Zij heeft immers ook de hele mensheid in het vizier (zelfs ‘de mensen van vóór de zondvloed’ (Mat. 24,37). Het thema van in beweging komen is het belangrijkste. Liefst vijf keer is er in deze korte tekst sprake van ‘optrekken’, ‘wandelen’. Zo komt het mooie oudtestamentische thema van ‘wandelen met God’ onder onze aandacht. Wie weet tegenwoordig nog wat dat is, ‘wandelen met God’? Het klinkt archaïsch. Je ruikt als het ware de negentiende eeuw. Tegenwoordig hebben wij het liever over ‘spiritualiteit’. Maar ‘wandelen met God’ is wel een stevig oudtestamentisch gegeven. Het betekent allereerst ‘wándelen’: je beide benen op de grond, zo aards als het maar zijn kan. Tegelijk duidt ‘wandelen met God’ op een constante relatie met de hemel. Dat houdt in: ‘leven in verbondenheid met God’. Henoch beleefde er een schone voleinding aan (Gen. 5,24). Maar ook God vindt er zijn vreugde in. God zegt in de Bijbel: ik wil met jou wandelen. Ik wil in nauwe verbondenheid met jou door het leven gaan. Dat zei God bijvoorbeeld al tegen Abraham (Gen. 17,1v). Zo spreekt God ook tegen ons (1 Joh. 1,6v). Als we allemaal ‘wandelen met God’, zal dat voor ons positief uitpakken: algehele vrede zal er op aarde heersen.

Romeinen 13,11-14
In deze lezing heeft ‘waakzaamheid’ de oorspronkelijke betekenis van ‘afzien van slaap’. Slaap hoort thuis in de nacht, zinnebeeld van de periode vóór Christus. De tijd die aan Christus voorafgaat, wordt voorgesteld als ‘de nacht die ten einde loopt’. Paulus bezigt het woord kairos, dat is een klassieke bijbelse term voor een theologisch gevulde tijd. Kairos staat hier voor de eindtijd oftewel ‘de laatste dagen’. Die zijn ingeleid door de dood en verrijzenis van Jezus. Dat is het tijdperk waartoe ook onze huidige tijd behoort, de periode van de strijdende kerk. De christen is een ‘kind van het licht’. Op dat ‘licht’ is een nieuwe levensstijl gebaseerd. De immorele gedragingen, typisch voor het rijk van de duisternis, kenmerkend voor het Romeinse nachtleven, mogen geen plaats krijgen in het leven van de christen. Die nacht van losbandigheid is voorbij. De dag van Christus is aangebroken. Dit is het fundament voor de ethiek die Paulus ons vandaag aanreikt.

Zie S.M.J.M. Lamberigts, ‘Romeinen. Christus, onze gerechtigheid’, in: Henk Janssen & Klaas Touwen (red.), Paulus zelf. De zeven echte brieven, Vught 2014, 20162, 75-86

 

Preekvoorbeeld

Het evangelie van vandaag blijft, juist als laatste van de drie lezingen, ons het langste bij. Dit is, geloof ik, niet alléén omdat het de laatste van de drie is. Jezus’ woorden gaan ook niet gemakkelijk uit onze gedachten omdat ze zo dreigend klinken, zo onheilspellend.
Jezus heeft het erover dat wij waakzaam moeten zijn, en hij vergelijkt zijn komst met die van een dief in de nacht en met iets dat ons zo kan overvallen als de zondvloed dat indertijd, in de dagen van Noach, heeft gedaan.
Het blijft vreemd om zo te horen spreken over de komst van de Mensenzoon, juist vandaag, nu de tijd begint van het uitzien naar en het wachten op de komst van de Mensenzoon, straks, met Kerst­mis. Die komst heeft voor ons toch weinig onheilspellends. Die is toch vooral verbonden met vrede, met warmte in onze kille wereld, die nog eens extra kil is door de kilte van de winter. En voor ons heeft Kerstmis toch ook alles te maken met zoiets moois als de komst van het licht, midden in het donker van de lange winternacht.

Over ‘licht’ gaat het in de eerste twee lezingen. ‘Laat ons wandelen in het licht van de Heer’, roept de profeet Jesaja ons toe. En Paulus zegt dat wij de wapenrusting van het licht moeten aantrekken, en dat wij ons moeten gedragen als op klaarlichte dag.
Dit klinkt allemaal niet zo dreigend. Bovendien worden deze woorden voorafgegaan door de ver­kondiging van wat echt Goed Nieuws, Evangelie, mag heten. Jesaja ziet in een visioen hoe Jeruza­lem het lichtend middelpunt van alle volkeren zal zijn, en Paulus begint met te zeggen dat ons heil thans dichterbij is dan toen wij tot geloof kwamen. Zo worden de oproepen om te wandelen in het licht van de Heer en om de wapenrusting van het licht aan te trekken geen strenge orders of beve­len. Het zijn oproepen om de consequentie te trekken uit wat wij zijn: kinderen van het licht. Wij worden aangespoord ons te gedragen naar wat wij zijn: mensen die het licht uitstralen dat in ons is opgegaan, het geloof namelijk dat wij Gods mensen zijn.
Dat Jesaja en Paulus ons hiertoe oproepen, betekent dat dit kennelijk niet altijd gemakkelijk, laat staan vanzelf gaat. In ons is ook duisternis, ons geloof straalt niet alleen maar van ons af. Er is in ons ook wat het daglicht niet kan verdragen. Maar hoe dan ook: zonder te dreigen en zonder het on­heilspellende van het Evangelie van vandaag worden wij er aan herinnerd wie wij eigenlijk zijn en worden wij teruggetrokken naar het licht. Wij worden aangespoord zo te leven dat ook anderen aangetrok­ken worden tot het licht waarin wij leven, want wij zijn geroepen om uit te stralen wat de Mensen­zoon uitstraalt: de goedheid en de liefde van God zelf, die een einde maakt aan alle duisternis.
Wij leven in het geloof en de hoop dat ooit alle duisternis verdwenen zal zijn en er alleen maar meer licht is. Dit zal gebeuren bij de komst van de Mensenzoon.
Daarom vieren wij zijn komst ook juist met Kerstmis, op het donkerst van de dagen, midden in de winternacht. Wij doen dat dan met een zee aan lichten en lichtjes. Alle kerstkaarsen zullen er straks van getuigen, net zoals de Paaskaars dat doet, dat waar Christus, de Mensenzoon, komt en op ons leven beslag legt, geen duisternis meer is maar enkel licht waarin wij kunnen wandelen, en waarin alles wat wij doen gezien mag worden en het daglicht kan verdragen.
Het evangeliegedeelte van vandaag dat zoveel anders en strenger van toon is, is te verstaan als een ernstige confrontatie met de vraag: Waar hoor jij bij als de Mensenzoon komt: bij het licht of bij het donker? Heb je iets gedaan met wat Paulus zegt? Heb jij je bekleed met het licht? Heb je gedaan wat Jesaja vraagt: Heb je gewandeld in het licht van de Heer? Of heeft het donker in jou zo de overhand gekregen dat je bent gaan horen bij het donker dat wij met Kerstmis juist proberen uit te bannen en te verjagen, en dat voor het licht van Christus op de loop gaat? Ben je licht of ben je don­ker?
Nu, ons leven levend hier op aarde, zijn wij doorgaans nu eens het een en dan weer het andere. Wij zijn het allemaal een beetje door elkaar, licht en donker. Wij leven doorgaans een ietwat schemerig bestaan. Niet echt mensen van de nacht en ook niet echt mensen van de dag. Maar één keer zal de vraag beantwoord moeten worden: wat ben je, wat was je nu werkelijk? Deze vraag kan ons ieder ogenblik worden gesteld. De Mensenzoon kan met deze vraag in ons leven komen als wij er hele­maal niet op bedacht zijn.
De Adventstijd begint met een oproep daar toch vooral wel bedacht op te zijn. Hoe? Door in het licht te leven. Door geen nacht te zijn, waarin gedaan wordt wat het daglicht niet kan verdragen, en waarin de Mensenzoon alleen nog maar kan komen als een dief in de nacht. Door zo te leven, zou­den wij kunnen zeggen, dat wij straks, als wij het Kerstfeest vieren, niet zelf behoren tot het donker dat weggejaagd moet worden met al die talloze kerstkaarsen en lichtjes in de bomen.

Weest waakzaam. Dit hoort bij onze voorbereiding op de komst van de Mensenzoon. Wij moeten ervoor oppassen dat wij niet bij het donker gaan horen, dat bij de komst van de Mensenzoon wegge­vaagd zal worden.
De nadruk op de waakzaamheid is de inbreng van het Evangelie van vandaag. Dat wij niet bij het donker hoeven te horen, omdat wij de wapenrusting van het licht kunnen aantrekken en in het licht van de Heer kunnen wandelen, is de inbreng van de andere twee lezingen.
De drie lezingen van vandaag gaan dus over hetzelfde. Zij laten de twee kanten zien van dezelfde zaak. Zij laten zien welk een zegen het is om in het licht van het geloof te mogen leven, en zij laten zien dat dit iets is om serieus en ernstig te nemen, want ooit zal ons gevraagd worden of wij het ook hebben gedaan: gewandeld in het licht van het geloof. Of wij ook zelf het licht van de Mensenzoon hebben weerkaatst en dus bij hem hebben gehoord. Of wij, samen met hem, licht in het donker zijn geweest, duisternis hebben weggejaagd en er het onze aan hebben gedaan dat wij, als een Nieuw Je­ruzalem, het stralende middelpunt van Gods schepping zullen zijn.
Dat de drie lezingen van vandaag ons waakzaam maken en ons helpen om mensen van het licht te worden. Opdat ze dit zouden doen hebben ze tenslotte in ons midden geklonken, juist vandaag, op de eerste dag van weer een Advent, nu opnieuw het wachten begint op de komst van de Mensen­zoon, in het licht.

 

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s