Overweging van zondag 11-12-2016 door pastor Leon Teubner

Waarnaar bent u uitgegaan om te gaan zien?  vraagt Jezus aan zijn volgelingen. Waarom bent u uitgegaan naar een woestijn? Naar een plek waar niets te zien is, waar geen wegen zijn, waar elke oriëntatie ontbreekt.
Wat bent u daar toch gaan zoeken, wat verlangde u, waar hoopte u op?
Waarom zijn wij vandaag thuis weggegaan? Waarom zijn wij hier samen bijeen in deze kerk? Wat verlangen wij hier te zien en te horen?
Verlangen wij ook zo naar het koninkrijk van God, zoals Jezus? Hopen wij ook zo op de komst van de Messias, zoals Johannes de Doper? Geloven wij ook in de komst van God in ons eigen leven? Is dat waarom wij vandaag uit onze huizen zijn gegaan, om dat geloof hier samen met elkaar te delen en te verdiepen? Als dat zo is, dan zijn we samen met Jezus en Johannes op weg. U en ik, samen met het Woord van God. Zijn Woord zal gaandeweg ons oog scherpen om te gaan zien wat nauwelijks te zien is: het naderende koninkrijk van God hier en nu. Dat dit samen uitgaan met Jezus geen gebaande weg is, dat zien we aan de ergernis van Johannes de Doper. Hij die eerder zei: ‘Na mij komt een die groter is dan ik’, hoort nu over de werken van de Messias en vraagt zich af: Jezus van Nazareth, ben jij wel de komende,  of moeten we een ander verwachten? Jezus laat hem antwoorden: Op de goede weg met Mij is hij, die zicht niet ergert aan iets in mij.  En dan wijst Hij meteen de blik van Johannes van zichzelf weg naar iets anders, en zegt tegen hem: Zie, blinden zien weer, lammen lopen weer,  doven horen weer, zieken worden weer gezond, doden worden weer levend, armen horen het goede. Waarom ergert zich Johannes aan de werken van de Messias? Het is toch prachtig dat blinden weer zien, doven weer horen en doden weer opstaan? Maar Johannes ziet daarin niet de komst van Gods koninkrijk. Waarschijnlijk  verwacht hij met de meesten van zijn tijdgenoten een heel andere komst van God, een die het volk zal bevrijden van de Romeinen,  en die het koninkrijk van David zal herstellen. Een komst die het oude paradijs op aarde zal herstellen. Johannes moet anders leren kijken,  maar kan dat pas als hij zijn eigen denkbeelden loslaat. Zijn eigen denkbeelden over de komst van het koninkrijk van God en die van de Messias. Hij zal zijn zelfgemaakte beelden daarvan loslaten, om zo te gaan leren zien met de ogen van God, die zijn mensen op een heel andere manier bevrijden zal: Zie, blinden zien weer, lammen lopen weer, doven horen weer, zieken worden weer gezond, doden worden weer levend, armen horen het goede. En ook de mensen die met Jezus meetrokken moesten leren zien wat werkelijk al is: het naderen van Gods koninkrijk in hun leven. Zij zijn hun huizen uitgegaan om een profeet te gaan zien, een verkondiger van het woord van God in de woestijn. Ten minste, dat dachten zij toen zij gingen. Maar Jezus opent nu hun ogen voor wat zij nog niet zagen: Toen jullie zijn uitgegaan, wat zijn jullie toen gaan zien? Een profeet? Ja maar, jullie hebben toen veel méér dan een profeet gezien. Wat is dan dat méér dat zij toen niet hebben gezien? Zie, zegt Hij, jullie hebben niet alleen Johannes,  maar een engel, een bode van God gezien, jullie hebben gezien over wie de profeet Maleachi met de woorden van God zelf geschreven heeft:

Zie, Ik zend mijn bode op mijn weg voor jullie uit.  En terstond zal de Heer dan zijn heiligdom binnentreden, de Heer naar wie u verlangt, de bode van het verbond, naar wie u met vreugde uitkijkt. Zie, Hij komt – zegt de Heer van de machten.

Johannes is de bode waarover Maleachi heeft geprofeteerd. Maar in Johannes, zegt Jezus, komt God zelf aan het licht. In Johannes vangen wij een glimp op van zíjn koninkrijk. Het is God zelf die terstond aanwezig komt in het woord van Johannes. Zo treedt de Heer naar wie wij zo verlangen onmiddellijk binnen in Zijn heiligdom, het heiligdom dat wij mensen zijn. Wij zijn het huis van de Heer, in ons wil Hij wonen.  Waarom zijn wij uit ons huis gegaan vandaag om hier te zijn? Is het niet ons verlangen naar de komst van God in ons leven, naar de geboorte van de Messias in ons, naar de komst van zijn koninkrijk onder ons op aarde? Als wij dat werkelijk verlangen, dan zullen wij met Johannes  onze eigen gebaande wegen moeten verlaten. Dat zijn de wegen waarop wij denken zelf het koninkrijk van God te kunnen of te moeten maken.

Dat is geen gemakkelijke opgave, geen gelopen koers. Dat is het gaan van een onbestemde en altijd ongekende weg. Als wij gaan meebewegen met ons verlangen naar Gods komst, dan zullen wij als vreemdelingen ontheemd raken, als wijzen uit het Oosten, op zoek naar Gods koninkrijk, die elke dag weer de ster van hun verlangen volgen.

Daarom spreekt het waarschuwende woord van God ook tot ons:  Maar wie verdraagt de dag van mijn komst? Wie kan mijn komst bevatten? Wie blijft er staande, als Ik in mijn bode, mijn Woord, verschijn? Niets van onszelf zal staande blijven  als God werkelijk tot Stem in ons leven wordt. Want dan zullen wij zijn als blinden die echt gaan zien, als doven die waarlijk gaan horen, als doden die opstaan en werkelijk gaan leven. Dan zullen wij de komende zijn van God uit De Messias, het lichaam van Christus, En hoeven wij geen anderen meer te verwachten. Laten wij ons hart openen voor God, voor zijn Woord, om het lichaam van Christus te worden. Dat wij deze Advent uitzien naar zijn komst in ons.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s