Overweging van zondag 26-3-2017 door pastor Leon Teubner

Hoe kijken we naar onszelf, naar de ander, naar de wereld om ons heen?
Daarover gaat het evangelie van vandaag.  Vaak kijken we naar elkaar als van een afstand,  en vormen we ons een beeld van wat wij zien en voelen.  Leggen we elkaar vast in zelfgemaakte beelden:  jij bent die en die, en jij doet altijd zus of zo,…  We kijken anders, als we ons openen voor de ander, als we de ander ontvangen zoals deze zich op dat moment toont, als een mens die ons van God uit gegeven wordt. Twee manieren om te kijken naar de werkelijkheid, twee manieren van kijken naar hetzelfde  waarbij je heel iets anders ziet. Deze twee manieren van kijken komen we tegen In het evangelieverhaal van vandaag.
Jezus ziet een man die blind was van zijn geboorte af. Zijn leerlingen vragen Hem: “Meester, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren werd?”  Jezus antwoordde: “Noch hij, noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken van God moeten in hem openbaar worden.
De leerlingen, en later ook de farizeeërs, zien een blindgeborene als iemand die in zonde geboren is.
Jezus ziet diezelfde blindgeborene als een mens in wie de werken van God geopenbaard zullen worden. In het zien van de leerlingen wordt een mens teruggebracht tot zijn vastliggende verleden: tot zijn zondigheid of die van zijn ouders. In het zien van Jezus wordt diezelfde mens  vrij in het hier en nu gezien, zoals deze zich aan hem toont. Ook Hij ziet een mens die blind is, maar Hij ziet deze mens als door God gegeven en niet als zondaar. Hij ziet dat God ook in deze mens aan het licht wil komen.
Door een ander vast te leggen in min of meer vaste beelden, door een ander terug te brengen tot ditten en datten, tot zussen of zo’en,  dan doen wij die ander én God tekort. Dan vertekenen wij de ander die God ons geeft, dan zien we hem niet langer als geschapen in zijn beeld. Dan denken wij wel de ander juist te zien, maar dan zijn we in Jezus ogen ziende-blind. Dan hebben we niet in de gaten dat we werkelijk blind zijn, en leren we ook niet een ander te gaan zien met Gods ogen. Dat verwijt houdt God ons voor bij de profeet Jesaja, waar Hij tot ons zegt:
Ik leid blinden over wegen die zij niet kennen;  op paden die zij niet kennen leid Ik hen;
Wij zijn blind in Gods ogen, en dat is goed zo. Want zo worden we door Hem gegeven  en alleen zo kan Hij ons leiden op zijn wegen die niet onze wegen zijn. Maak geen beelden, zegt Hij,  niet van Mij, niet van jezelf en niet van elkaar. Maar wij kunnen niet anders dan beelden maken. Dat is onvermijdelijk en niet per definitie slecht. Het gaat erom dat onze beelden absoluut kunnen worden waardoor we onszelf en de ander gaan miskennen, en God als onze Schepper tekort doen.
Dan vormen onze beelden een hindernis of zelfs blokkade om elkaar te kunnen ontmoeten en  vruchtbaar samen te leven in de wereld die ons door God gegeven wordt. Daarom klinkt ook zijn smekende oproep:
Hoort toch, jullie doven,  en schouwt, jullie blinden, om te gaan zien.
Maar ook zijn vertwijfelde vraag:
Maar wie is er blind als mijn dienaar, wie is doof als de bode die Ik zend?  Wie is blind als de volmaakte, blind als de dienstknecht des Heren?
In het verhaal van de blindgeborene is het precies vanwege de ziende-blindheid van sommige farizeeërs,  dat Jezus tegen hen zegt: waren jullie maar blind,  dan zouden jullie geen zonde hebben, maar nu jullie zeggen: wij zien, blijft jullie zonde.
De zonde waarover Jezus het heeft is niet ons zien zelf, maar de stellige overtuiging dat je eigen zien en weten omtrent God en de ander, de waarheid zou zijn. Daardoor laat je je niet langer leiden door het kijken van God dat barmhartig is en bewarend, maar door je eigen zelfgemaakte waarheid.
Om door God geleid te kunnen worden, moet je je eigen tekort aan weten omtrent de wegen van God, en over hoe zijn koninkrijk eruit zal zien of zou moeten zien, gaan beseffen en durven erkennen.
Gods weg met zijn mensen ligt niet vast als een van te voren opgeschreven en te kennen plan. Gods wijzing wijst zich maar in de ontmoeting met de ander, waarin die ander zelf tot spreken kan komen,en zich kan laten zien zoals deze op dat moment gegeven wordt. Wij worden vandaag uitgenodigd om ruimte te maken in onszelf. Een ruimte die ontstaat wanneer we onze beelden relativeren, waardoor we elkaar weer kunnen zien als het werk van Gods handen. Als gegeven door God die nog lang niet klaar is met niemand van ons. Jezus is ons op deze smalle weg voorgegaan, door zelfs zijn vijanden niet te beelden vast te zetten, maar met hen in gesprek te gaan, waar Hij dat kon, en hen te vergeven heeft waar dat niet lukte: Vader vergeef hun, zij weten niet wat zij doen.  Vergeef het hun, want zij zijn ziendeblind en doden een mensenkind in jouw Naam. In navolging van Jezus bleef ook Titus bBrandsma in Dachau met zijn bewakers in gesprek gaan, ook al sloegen ze hem steeds met veel geweld van zich af, en kostte het hem uiteindelijk zijn leven.
Ook in hen zag Titus de hand van God, hoe misvormt deze ook naar buiten kwam. Tot het uiterste bleef hij proberen hen zo te zien en te benaderen.
Ruimte maken in onszelf voor de ander zoals deze zich aan ons toont, dat is een dagelijks werk. Het is het werk van God die ons smeekt daaraan mee te werken.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s