Overweging bij de boeteviering van 26-03-2018 door pastor Leon Teubner

Welkom mogen wij ons hier weten,

in Godsnaam,

in deze viering van erkenning en herstel.

 

Erkenning –

niet zozeer van wat beter had gekund

doch zondig werd nagelaten,

maar erkenning van wat wij zijn en van wat God is:

onvolmaakte mensen

gegeven door Hem die volmaakt is.

 

Wij allen worden gegeven met een tekort:

wij zijn niet God, en dus onvolmaakt.

En alleen als onvolmaakte mensen staan wij

in relatie tot onszelf en elkaar en met Hem.

 

Telkens echter als wij, los van God, op eigen kracht

proberen om onszelf te vervolmaken,

onszelf mooi en aantrekkelijk te maken voor Hem,

stappen wij uit die relatie met God

die ons juist als onvolmaakten geeft aan elkaar.

 

Uit de relatie met God stappen heet in de Bijbel:

zondigen.

Ons onvermijdelijke tekort is niet onze zonde,

maar: onszelf en elkaar niet als onvolmaakt

willen ontvangen uit Gods handen,

dát is zonde.

 

Want dan stappen we uit de relatie met Hem,

die ons juist geeft aan elkaar in ons tekort.

Daarom: erkenning van ons tekort is ja-zeggen

op onszelf en op elkaar en op God die ons zo geeft.

En dat precies is weer het herstel van de relatie

met onszelf, met elkaar en met God.

 

Onvoorstelbaar –

God denkt aan ons en is bekommert om ons

precies in, met en door ons tekort.

Ja, Hij heeft ons bijna tot een God gemaakt –

zegt Ps 8 – ja, bijna.

 

Want er is er maar Eén die goed is en volmaakt,

zegt Jezus.

Ja, machtig is zijn Naam die betekent:

Ik ben met jullie.

 

Daarom: bieden wij onszelf hier aan,

aan Hem die Zichzelf geeft aan ieder van ons,

precies zoals we zijn, precies zoals Hij ons geeft.

 

Dat wij het aandurven ons bloot te stellen

aan zijn bewarende en gunnende ogen.

 

Dat wij in zijn Tegenwoordigheid

met elkaar door het leven durven gaan ,

zo, dat zijn gunnende goedheid door ons ontvangen wordt,

en wij meer en meer zijn gunnende goedheid worden.

 

Dit is wat God van ons verlangt:

dat wij elkaar vergeven, zeventig maal zeven,

en dat wij ons elke dag weer geven aan Hem

die ons vervolmaken zal op zijn tijd en op zijn wijze.

 

 

Advertenties

Overweging van zondag 4 maart door pastor Leon Teubner

In het evangelie van vandaag verandert

de zachtmoedige Jezus zoals wij die kennen,

onverwachts voor onze ogen van gedaante,

en wordt een agressieve ijveraar voor het geloof.

 

Met geweld ontruimt Hij in Jeruzalem de tempel.

De verkopers met al hun vee en gevogelte,

dat bestemd is als brandoffer of slachtoffer,

geselt Hij met veel misbaar het heiligdom uit.

 

Hij werpt de tafels van de geldwisselaars omver,

en tot de duivenhandelaars zegt Hij woedend:

Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal!

 

Vanwaar toch deze agressie en dit geweld?

Vanwaar deze onbeheersbare emoties bij deze

doorgaans zo rustige en vreedzame man?

 

Al die handelaren zitten daar immers legitiem!

Zij volgen getrouw de Wet van Mozes.

Door het de gelovigen mogelijk te maken

om offers te brengen uit dank of uit schuld,

kunnen zij zich weer in vrede verhouden met hun God.

 

Dat de mensen zich houden aan de Wet van Mozes,

kán in Jezus’ ogen niet het probleem zijn geweest.

Van die Wijzing van God heeft Hij immers gezegd,

dat Hij niet gekomen is om er ook maar iets van te veranderen.

 

Nee, dat is niet de reden van zijn plotselinge uitbarsting.

Zijn woede heeft te maken met de innerlijke houding van de mensen

die hier vlak voor Pasen naar de tempel gekomen zijn

om daar voor God van gelaat tot gelaat te staan,

en Hem te danken en te erkennen als hun enige Godem te danken en te erkennen als hun enige GodH.

 

Pasen is het feest van de uittocht van het volk uit Egypte,

van de bevrijding door God onder het juk van de Farao uit,

die menselijke heerser die genoegdoening eist

van al zijn onderdanen die bij hem in de schuld staan.

 

Het feest van Pasen is dus de bevrijding van de mens,

uit onderdrukkende verhoudingen met zijn naasten,

een bevrijding om niet van God uit,

zonder enige tegenprestatie van de kant van de mens.

 

Maar hier in het huis van zijn Vader ziet Jezus

dat de mensen het op een akkoordje gooien met God.

Door niet zichzelf, maar een plaatsvervangend offer te geven

proberen zij Hem vriendelijk en mild te stemmen.

Op deze manier hopen zij hun vermeende schuld bij Hem af te kopen.

 

Er vindt hier een soort afkoopsysteem plaats,

waardoor God gereduceerd wordt tot een marktkoopman

met wie het altijd toch wel goed zaken doen is.

 

Uit het optreden van Jezus wordt echter duidelijk,

dat God in een heel andere relatie wil staan met zijn volk

dan in de verhouding van kopers tot een verkoper.

Een andere relatie dan die van handelen en onderhandelen.

 

De mens zélf is de enige offergave die God verwacht.

Hier mij, hoorden we dan ook in de 1e lezing

de psalmist tegen God zeggen.

 

Jij die offers afwijst en geschenken,

hebt mijn dove oren geopend:

brand- en zonde-offers verlang Jij niet.

Ja, dan zeg ik: ‘hier mij’ – hier ben ik.

 

Geen plaatsvervangende offergaven volstaan

in de liefdesrelatie waarin God ons met Hem brengt.

Enkel onze vrije zelfgave is wat Hem behaagt.

Daarom verlangt Hij:

 

dat de liefdesijver voor zijn huis ons zal verteren.

 

God verlangt enkel en alleen onze zelfgave,

Hij verlangt enkel dat wij met de inzet van onszelf

proberen samen met Hem te leven voor zijn Gelaat.

 

Dit is het wat Hij van ons verlangt:

Zijn genade door ons leven heen laten stromen.

Hij wil bevrijdende woorden spreken met onze mond.

Hij wil vruchtbaar werken in ons werken

met ons verstand en met onze handen.

 

Hij wil dat wij een instrument worden in zijn handen!

Zodat zijn trouw en zijn bewaring onverhuld

in ons aanwezig komen:

in ons denken en spreken, in ons doen en laten.

Zo nodigt Hij ons uit op het feest van zijn leven,

het feest waar wij als zijn geliefde gast er mogen zijn.

 

 

 

Als wij naar een feest gaan nemen wij altijd een cadeau mee.

Komen wij daar als een echte vriend of als een geliefde gast,

dan geven wij met dat cadeau a.h.w. onszelf aan de gastheer.

Komen wij niet als vriend of geliefde gast,

dan geven wij dat cadeau als toegangsprijs voor het feest.

 

Dan komen wij wel op het feest van zijn leven,

maar dan blijven wij buiten de liefdesgemeenschap

met God die onze gastheer is.

 

Zo is het ook met het feest van de eucharistie,

het feest van de dankzegging dat wij zo gaan vieren.

Bij het aanbrengen van de gaven worden wij uitgenodigd

om onszelf daarbij mee te geven aan God.

 

Met de rite van de collecte kunnen wij onszelf meegeven aan Hem.

Het maakt daarbij niet zoveel uit hoeveel wij geven,

want het is toch altijd vanuit onze overvloed.

 

Wat echter wél van belang is: geven wij daarmee onszelf?

Want dán liggen wij als brood en wijn op de feesttafel van de Heer,

om er omgevormd te worden tot lichaam en bloed van Christus,

Gods welbeminde.

 

In de communie ontvangen wij onszelf in de hostie weer terug

met de woorden: het lichaam van Christus.

Dan ontvangen wij onszelf uit handen van God als zijn lichaam,

en kan ons lichaam,

dat door onze zelfgave tot een lege ruimte is geworden,

tot de tempel worden van zijn aanwezigheid.

 

Zeggen wij ‘Amen’ dan beamen wij dat wij zijn lichaam zijn,

dat wij onszelf hebben weggegeven aan Hem,

die bezit van ons zal nemen om ons tot instrument te maken

van zijn werkzame aanwezigheid op aarde.

 

De agressie en het geweld van Jezus zijn dus begrijpelijk.

Want hier staat de liefdesrelatie met God op het spel

Het is een zaak van leven of dood.

Het gaat erom of wij ín ons leven met God en met elkaar,

dagelijks Pasen, het feest van Gods bevrijding willen vieren,

en zo dagelijks met Hem zullen verrijzen tot nieuw leven.

 

Dat wij hier samen met Hem en met elkaar

werkelijk het feest van Pasen zullen vieren:

onze opstanding tot lichaam van Christus.