Overweging van zondag 24-6-2018 door p. Tom Buitendijk

Johannes de Doper  24 juni 2018

 

Inleiding

U allen van harte welkom in deze viering .

Vandaag viert de kerk de geboorte van Johannes de Doper.

Het is ook een heel bijzondere datum.  24 juni  is de langste dag van het jaar.

Het is het einde van de lange periode van het Eerste of Oude Testament.

Over zes maanden plus een dag vieren wij de Geboorte van Jezus, 25 december.

Het is de kortste dag van het jaar. Het is het begin van de Nieuwe Tijd.

Op beide geboortedagen begint God iets nieuws met ons mensen.

Staan wij daar open voor?

Om deze Eucharistie goed te kunnen vieren bereiden we ons een moment in stilte voor. 

Overweging

 

Jesaja 49.1-6

Lucas 1,57 – 66.80

 

Dat voor Elisabeth het ogenblik aanbrak dat zij  moeder zou worden is méér dan een mededeling.  Elisabeth  kon haar leven lang géén moeder worden en droeg de schande van de kinderloosheid met zich mee. Tot het ogenblik dat de haar man, de priester Zacharias, een verschijning  van een engel kreeg.  De engel vertelde hem dat Elisabeth op haar hoge leeftijd toch nog in verwachting zou raken. Zacharias kon het niet geloven. Hij kon letterlijk van verbazing niet mee spreken.

De geboorte van Johannes is een geboorte waar God als het ware de hand in had. Met deze geboorte beging er iets nieuws.  God neemt het initiatief.  Zacharias  de priester en de vrome vrouw Elisabeth verlangden vurig naar een nieuwe begin. Zij zagen uit naar de komst van de Messias die Israël zou bevrijden. Met zijn tweeën  vertegenwoordigen zijn als het ware het hele volk. Met dit nieuwe kind ziet God genadig op hen neer. Op hen samen en op heel het joodse volk.

 

U hoorde zelf al dat er méér verteld wordt over de naamgeving dan over de geboorte. Naar de gewoonte van mensen zou de jongen de naam van zijn vader krijgen. Een naam die een familietraditie kan voort zetten.

Maar Elisabeth is zo blij met haar kind,  en zij ervaart zijn geboorte zó

als een Godswonder dat zij hem de naam Johannes geeft: God is genade.  Dat is die jongen voor haar. Dat zal die jongen zijn voor zijn volk. Zijn naam is een program.  Zodra Zacharias schrijft  “Johannes zal hij heten” , kan hij weer spreken en God prijzen om zijn overgrote goedheid.  Maar de omwonenden vragen zich af: Wat zal er worden van dit kind? Wat betekent die naam voor ons?   Zoals van oude  profeten gezegd wordt: De hand van de Heer was met hem en Gods Geest beheerste hem meer en meer.

 

De meest populaire afkorting van Johannes is in het Nederlands Jan en in het Engels John. Het is misschien ouderwets, maar het is wel een naam met inhoud.  In veel families zijn namen een traditie: ze gaan van vader op zoon en kleinzoon; van moeder op dochter op kleindochter. Je hoort door je naam ergens bij.   De roepnaam was bij katholieken meestal een afkorting van de doopnaam. Doopnamen waren meestal heiligennamen.  Zo’n heilige kan dan een voorbeeldfunctie hebben.

Nicolaas: overwinnaar. Petrus : rots.  René: weder geborene;  Patrick: vaderlandlievend; Richard: rijke man ; Thomas : patroon van de twijfelaars.

 

De meest voorkomende namen waren in 2017 voor jongens: Noah, Sem en Lucas De meest voorkomende voor meisjes: Emma, Tess en Sophie.  Namen worden mode.  De meeste namen raken helaas  los van hun betekenis en achtergrond.  Mijn nichtje Krista heeft twee dochtertjes Sara en Hanna. Helaas wist ze niet dat ze Bijbelse namen gekozen had. Ze vond ze alleen maar mooi. Tegenwoordig maken mensen zelf fantasienamen; of ze geven hun kind namen van tv sterren of sportlui; of ze kiezen namen uit andere landen en culturen. Soms zijn namen zo ingewikkeld dat je je moet afvragen of het kind er later blij mee zal zijn.

Ik zou er voor willen pleiten dat kinderen namen krijgen waarin iets doorklinkt van de hoop en de verwachting die ouders van hun kind koesteren; een naam die betekenis heeft; een naam waarmee het kind een levensprogramma krijgt aangeboden.

Natuurlijk zal het kind zijn eigen leven vorm moeten geven en komt zo’n naam soms niet helemaal uit de verf. Toch kan een kind houvast aan zijn naam hebben.  Naamgeving verdient zorgvuldigheid.

 

Wat zal er worden van dit kind? vroegen de omwonenden zich af.

Wij komen Johannes in de Bijbel tegen als een profeet die met kracht en gezag op roept tot bekering. Op scherpe wijze confronteert hij mensen met zichzelf en laat hij zien hoe schijnheilig ze zijn.

Vrome Schriftgeleerden verwijt hij dat ze andere zware regels opleggen en zichzelf er niet aan houden. Soldaten verwijt hij dat ze plunderen en roven in plaats van mensen te beschermen. Tollenaars en publieke vrouwen luisteren met open mond naar hem en beginnen een nieuw leven.

“Johannes wat  moeten we doen ?, vragen de mensen.

“Kijk in jezelf en zie of jouw diepste verlangen klopt met jouw daden”,

is zijn antwoord. Dat antwoord is verrassend actueel.

 

Vandaag komen regeringsleiders bij elkaar om te spreken over vluchtelingen.  Ze zeggen: Hoe kunnen wij deze mensen helpen” en ze bedoelen  “hoe verhinderen we dat ze hierheen komen”.  Daar zijn de meeste mensen het mee eens….

We zeggen : “Echte vluchtelingen willen we opvangen. Economische vluchtelingen moeten terug.” Maar mensen uit andere landen die we goed kunnen gebruiken voor onze economie ontvangen we met open armen.  Polen in de bouw; Indiërs in de computerindustrie; Filippino’s in de thuiszorg.   We helpen vreemdelingen  graag als het ons zelf voordeel oplevert.

Tegen arme mensen zeggen we dat er toch een voedselbank is en zelf gaan delen blijven we moeilijk vinden. We vinden wel dat er vrede moet komen in Syrie en verkopen tegelijk wapens.

 

 

Johannes betekent God is genadig.  Maar hij geeft ons ongenadig op ons kop!  Zijn oproep is: Breng in praktijk wat je preekt. Dat geldt voor de verantwoordelijke leiders in kerk en samenleving, Dat geldt voor iedereen die durft te vragen:  Johannes wat moet ik doen om Gods genade te mogen ervaren?

 

Bekering is de helft van een nieuw begin. Laat die oude mens in je los!

Toe wending is de tweede helft. Word nieuwe mens in Jezus’ Geest!

Van Johannes krijgen we ongenadig op ons kop.  Van Jezus ontvangen we onvoorwaardelijke genade. Zoals God de zon laat schijnen over goeden en bozen; zo roept Jezus goeden en bozen op om samen een nieuwe gemeenschap te vormen. Hij  roept ons op ons te koesteren in de zon van de gerechtigheid,

ons te warmen aan de hartverwarmende vredelievendheid en goedheid;

om te wandelen in het licht van zijn gelaat.

 

Door de bekering waartoe Johannes oproept vinden we moed om ons toe te wenden naar die nieuwe wereld.  Maar ook als we volgeling van Jezus zijn, dan zijn we er nog niet.  Want nog steeds blijft de uitdaging klinken:  “Kijk in jezelf en zie of jouw diepste verlangen klopt met jouw daden”. Amen.

 

 

 

 

 

 Voorbede

 

Pastor: Op het feest van Johannes de Doper bidden we tot U om een oprecht en zuiver hart.

 

Lector :

Om een profetische geest van kerkelijke leiders.

Dat zij de noden van de tijd verstaan en woorden vinden

om in deze wereld het Rijk van God aan te kondigen.

Stilte …. Laat ons bidden .

 

Lector:

Voor alle christenen die geloven in de nabijheid van het Rijk van God

maar er zo moeilijk handen en voeten aan kunnen geven.

Maak ons tot moedige mensen in een wereld die van God niet weten wil.

Stilte …. Laat ons bidden .

 

Lector:

Voor de vluchtelingen in deze wereld die zoeken naar vrede en veiligheid.

Dat de regeringen van Europa wegen vinden om aan deze mensen recht te doen.

Dat wij zelf bereid zijn om vreemdelingen in ons midden te ontvangen.

Stilte …. Laat ons bidden .

 

Lector

Voor de vier en dertig duizend mensen die in de Middellandse Zee verdronken zijn.

Voor de families die wanhopig en verdrietig achter blijven.

Zij zijn mensen zoals wij.

Stilte …. Laat ons bidden .

 

Pastor

Goede God, help ons ons toe te keren naar Jezus

die uw liefde verkondigde en in daden liet zien.

Dat zijn Gees over ons komt en ons meer en meer beheersen zal.

Dit vragen wij u door Christus onze broeder en  Heer in eeuwigheid. Amen

Advertenties

Overweging van zondag 17-6-2018 door p. Tom Buitendijk

Van harte welkom in deze viering.

Gisteren vierde de stad Oss het tienjarig bestaan van het platform Global Goals. Global Goals zijn zeventien doelen om de aarde leefbaar te maken voor alle bewoners. Enkele jaren gelden heeft de parochie een Fair Trade keurmerk aan gevraagd. Daarmee zijn wij een Fair Trade parochie geworden. Dat brengt een speciale verantwoordelijkheid met zich mee, ook voor de Global Goals.  Het thema van deze viering luidt: Goed zijn voor de aarde. Fair trade houdt in dat wij ons verantwoordelijk voelen voor deze aarde die een geschenk van God is. Er is geen tweede aarde. Hoe gaan wij met schepping – natuur en medemensen – om?

Keren we in ons zelf – stilte –  Soms is herschepping van ons hart dringend nodig.

Openingsgebed

God, U hebt ons de aarde als woonplaats gegeven

om er met alle mensen in vrede te leven.

Leer ons zo van de aarde houden dat zij rijke vruchten voortbrengt:

vruchten die ten goede komen aan ieder mensenkind.

Dit vragen wij u door Christus onze Heer.

 

Gebed over de gaven

Kom, God, met uw Geest over de gaven van brood en wijn;

beziel ze tot leven en liefde gevend voedsel

op onze weg naar uw Komend Rijk.

Dit vragen wij u door Christus onze Heer.

 

Slotgebed

God mogen wij met alle mensen van goed wil meewerken

om de wereldwijde goede doelen concreet te maken in ons dagelijks leven.

Dat wij zoeken naar eenheid en harmonie in ons doen en laten.

Doe ons geloven in de groeikracht van het zaad;

houd ons oog gerucht op uw toekomst.

OverDit vragen wij u door Christus onze Heer.

Overweging

Het antwoord op de eerste vraag van de catechismus kènt iedereen die ouder is dan zestig jaar. Waartoe zijn wij op aarde? Het antwoord luidt:

( roept u maar! )

Er zijn twee versies van: de oudste is: wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in het hiernamaals gelukkig te zijn. De nieuwere versie leert: Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te zijn.

In de nieuwe versie mogen we ook hier op aarde gelukkig zijn.

Beide versies richten toch hun hoofdaandacht op de hemel.

De aarde is in zekere zin bijzaak.

Geloof gaat immers over geestelijke zaken. Spiritualiteit is toch méér hemels dan aards. God is toch Geest en wij worden na onze dood toch allemaal geestelijke wezens in de hemel.

Toch kun je je afvragen of er wel een hemel kan zijn zonder aarde.

Is het Rijk God waar Jezus het over heeft niet altijd ook een aardse werkelijkheid? Kunnen we anders over de hemel denken en spreken dan in aardse termen?  De hemel is als een feestmaal, als de stad van God, de hemel is als een plaats van rust en vrede aan een koele waterbeek?

 

Geen hemel zonder aarde, leert Jezus ons. In de gelijkenissen van Jezus groeit het Rijk Gods op uit de aarde zoals ontkiemend zaad dat groeienderwijze vrucht gaat dragen en tarwe wordt, tot de volle oogst.

De aarde is nodig om het Rijk van God te laten groeien. Hoe? Dat is Gods geheim.

Daarom is de zorg voor de aarde niet alleen een materiele verantwoordelijkheid, maar ook een spirituele opdracht. Op aarde groeit een hemelse werkelijkheid – een nieuwe hemel en een nieuwe aarde is ons beloofd. Het Rijk Gods daalt niet uit de hemel neer; het groeit uit de aarde op naarmate wij goed zijn voor de aarde.

De Global Goals – wereldwijde goede doelen – gaan onder meer over het verminderen van armoede en honger, het streven naar goede gezondheid, goed onderwijs, duurzame energie, verantwoorde consumptie en productie, en rechtvaardigheid voor iedereen. Het Platform Global Goals Oss heeft de 17 doelen 10 jaar geleden omarmd. En met succes, want dit jaar is Oss wederom uitgeroepen tot de meest Inspirerende Global Goals Gemeente van Nederland. Onze Fair Trade parochie doet op bescheiden wijze met vele andere organisaties mee.

 

Nu zullen de meeste van de 17 doelen u wel niet onbekend zijn. Als kerkmensen is ons gebed toch vaak dat er geen armoede, geen honger meer zal zijn onder de mensen. En ook bidden we om goed onderwijs en om goede medische voorzieningen. Sommige goede doelen komen dichterbij. Dan krijgen we het er moeilijk mee: plek voor vreemdelingen; vermindering van consumptie; zuinig zijn met energie; schoon water. Als je er alleen maar voor hoeft te bidden, dan gaat het wel….. er wat aan doen is moeilijker.

 

Het platform Global Goals is geen kerk waar mensen samen komen om te bidden. Het platform probeert die goede doelen te bereiken door het bedrijfsleven aan te spreken, maatschappelijke organisaties op hun verantwoordelijkheid te wijzen, door scholen erbij te betrekken, door gewone mensen op te roepen tot actie over te gaan.

Zo gebeurt er buiten de kerk heel veel waartoe wij elkaar ook binnen de kerk toe oproepen. Er is veel kerk buiten de kerk. Zo’n platform van buiten de kerk kan ons als mensen binnen de kerk inspireren. Kunnen wij de kerk niet onderbrengen bij het platform? Of: Hebben wij als kerk een eigen opdracht of functie? Ik denk van wel.

 

In zijn encycliek Laudato si zegt paus Franciscus dat we alle middelen moeten gebruiken om de Global Goals te realiseren: natuurwetenschap, techniek, sociale wetenschappen, economie en klimaatkunde. Vanuit het geloof biedt de kerk geestelijke of spirituele grondslagen voor alle wetenschap.

 

Als ouders een kind krijgen dan ervaren zij hun kind als uniek schepsel, als het mooiste kind van de wereld. Maar het betekent wel dat dat geldt voor iedere mens. Ook voor een beschadigd kind. Ook voor een vluchtelingenkind.  Iedere mens – hoe kwetsbaar ook –  heeft in Gods oog een oneindige waardigheid. Alle wetenschap moet daarop gebaseerd zijn.

Een mens kan niet zonder medemens. Een mens leeft altijd in relatie. God heeft mensen aan elkaar toevertrouwd. Individualisme is geen basis voor een humane samenleving. Individualisme zet mensen tegen elkaar op en leidt tot onmenselijkheid.

De aarde is aan mensen gegeven als veilige en vredige woonplaats voor ons hier en nu en voor de komende generaties. Een indiaans spreekwoord zegt: wij hebben de aarde niet geërfd van onze voorouders, wij hebben de aarde geleend van onze kinderen.

Als we om ons heen kijken dan zien we dat deze drie visies geweld wordt aan gedaan. Wij sluiten mensen buiten onze leefwereld.

Wie huilt er om al die verdronken mensen in de Middellandse Zee? Even uniek als wij.   Wij vinden onszelf belangrijker dan andere mensen. Anderen zijn minder dan wij. Wij vinden dat wij meer recht hebben op de goederen van de aarde dan anderen. We weigeren te delen en laten honger en armoede toe.

De harmonie tussen God – mens – medemens is verbroken doordat wij mensen zelf als God willen zijn. Wij mensen zijn God niet, ook al zijn wij naar zijn beeld geschapen.

De Global Goals – de wereldwijde goede doelen – proberen deze oorspronkelijke harmonie te herstellen: de aarde met elkaar bewonen zoals God bedoeld heeft toen Hij de schepping aan ons toevertrouwde.

In het vredig bewonen van de aarde; in het eerbiedig omgaan met elkaar; in de liefdevolle zorg en de aandacht voor al het geschapene en voor ieder die kwetsbaar is; in het menswaardig samen leven, daarin groeit het Rijk van God!

 

Heel nuchter stelt paus Franciscus vast dat je niet op je eentje de wereld kunt veranderen. Je kunt je in zo’n ingewikkelde wereld als de onze onmachtig voelen en daarom dan ook maar niets doen. Helaas gebeurt dat al te vaak. Daarom roept de paus op om krachten te bundelen en om samenwerking te zoeken met alle mensen die goed zijn voor de aarde.

De aarde draagt op geheimvolle wijze kiemen van een nieuwe en goede toekomst. In de aarde ontkiemt de hemel waarin God ons eens een thuis zal bieden. Een hemel die uit aardse goedheid gegroeid is, is het achttiende Global Goal voor alle mensen die van de aarde houden. Amen.

Voorbede

 

Pastor:       God, moge uw heilige Geest over deze aarde gaan en ons werken aan de wereld met uw kracht bezielen.

 

Lector:        Voor de aarde:

dat wij zo milieubewust met de aarde omgaan dat wij een schone wereld nalaten aan onze kinderen en kleinkinderen ………dat wij de zeeën zuiver houden zodat het leven in zee behouden kan blijven………. dat wij de waterbronnendelen zodat iedere mens veilig kan drinken…. Kom met uw Geest over de aarde, wees hier aanwezig.

 

Lector:        Voor de mensheid:

dat wij iedere mens de kans geven uit te groeien tot volwaardig medemens…………. dat wij het oog gericht houden op de toekomst van kinderen…………. dat wij ons daadwerkelijk in zetten om kwetsbare mensen te helpen…. Kom met uw Geest over al uw mensen, wees hier aanwezig.

 

Lector:        Voor de kerk:

dat wij als gelovige mensen geïnspireerd worden door paus Franciscus …….  dat wij als mensen van de kerk samen werken met alle mensen die van de aarde houden en zorg voor haar dragen……. dat wij de groei van het Rijk van God verwachten en er naar uit zien…. Kom met uw Geest over uw kerk en maak ons tot teken van uw aanwezigheid.

 

Pastor         Goede God, mogen wij op deze aarde uw Rijk zien oplichten zodat wij daardoor gesterkt mee werken aan de voltooiing van uw schepping. Dit vragen wij u door Christus onze Heer.

Oveweweging van zondag 10 juni 2018 door p. Tom Buitendijk

Overweging

Bij de voorbereiding van de Eerste Communie is er een les over het Onze Vader. Pauline, een heel slim kind, zei ’s avonds aan tafel: “ik heb vandaag geleerd, ma, dat ik je zus ben. En ik heb ook geleerd, pa, dat jij mijn broer bent.”  “ Wat leren jullie rare dingen”, zeiden pa en ma.
“ We hebben voor het eten toch net het Onze Vader gebeden ! ”, zei Pauline. Als we ‘Onze Vader’ bidden, dan zijn alle mensen inderdaad zussen en broers van elkaar. Wij zijn zussen en broers , ja zelfs de moeder van Jezus, als wij de wil van God volbrengen. Volbrengen is in praktijk brengen.
Met de boodschap dat God een liefhebbende Vader is trekt Jezus door het joodse land. Overal krijgt hij bijval.  Hij verkondigt dat God als een Vader van zijn kinderen houdt, dat vergeving van fouten mogelijk is, dat zieken en gebrekkigen niet mogen worden uitgesloten, dat liefde voor elkaar de basis van samenleving is en niet meer de Wet met alle regels, geboden en verboden, 653 in getal.

Marcus tekent in zijn evangelie  Jezus als een rondtrekkende wonderdoener en uitdrijver van demonen. Demonen zijn kwade krachten of van geesten die mensen gevangen houden. Wij zouden zeggen: gevoelens van mislukking, angsten om er te mogen zijn. Misschien ook depressieve buiten of obsessies. Blijkbaar kost het uitdrijven van demonen veel energie. Jezus is er moe van, zegt Marcus. Zijn moeder en broers en zussen denken dat hij opgebrand raakt, een burn-out heeft. Zij willen hem met zacht geweld tot rust dwingen.

Maar dan komen ook de tegenstanders in beweging. De tegenstanders die Jezus op zijn weg ontmoet,  zijn Schriftgeleerden die met alle macht en kracht de Wet willen handhaven. Daarmee houden zij gezag over de gewone mensen en kunnen ze een scheiding aan brengen tussen trouwe volgelingen en mensen die er niet meer toe doen.  Precies die mensen die er niet toedoen, spreekt Jezus aan en bij Hem vinden juist deze mensen een hartelijk welkom: “je hoort erbij, God ziet om naar jou, je bent  geliefd.”

De Schriftgeleerden proberen Jezus zwart te maken. “Je drijft demonen uit met de vorst van de duivels. In jou huist een duivelse geest.  Jij bent niet van Godswege”. Door die beschuldiging willen  ze verdeeldheid zaaien.  Jezus wijst hen op hun gebrek aan logica: in een huis waar kwade machten elkaar bestrijden heerst verdeeldheid. Verdeeldheid leidt tot niets dan ellende.

In een samenleving, verkondigt Jezus, waar mensen voor elkaar op komen, elkaar recht doen elkaar,  elkaar dienen, daar komt eenheid en vrede tot stand. Daar heerst de Geest van God.  Wie die Geest van God die liefde, vrede, verbondenheid en eenheid verspreidt, tegenwerkt begaat een onvergefelijke fout.  Wie tegen de liefde ingaat, zaait haat en verdeeldheid.

In onze dagen gebeuren veel onvergefelijke dingen:  de vele oorlogen in de wereld dienen de belangen van de machtigen  en maken slachtoffers onder de gewone mensen; met name kinderen en ouderen.

Het is onvergefelijk dat we de wegen naar vrede niet vinden. Door bezuinigen schiet de opvang en de zorg voor mensen met psychische stoornissen ernstig tekort. Mensen die liefde en aandacht nodig hebben worden in de steek gelaten en gaan dan inderdaad gekke dingen doen.  Het is onvergefelijk dat wij in dit land de psychische gezondheid verwaarlozen. Demonen uitdrijven begint met verwarde mensen te zien staan en lief te hebben.

Het is een brandende kwestie waar wij als mensen voortdurend voor gesteld worden:  waarom begaan wij  heel de mensengeschiedenis door die onvergefelijke stommiteiten die ons alleen maar ellende bezorgen?

Die vraag wordt vandaag niet voor het eerst gesteld.  Toen eeuwen geleden de Bijbelschrijvers de mondelingen verhalen die onder de mensen leefden opschreven, toen schreven ze ook het verhaal op hoe het kwaad in de wereld kwam.
De eerste mensen in het ongeschonden paradijs leefde in volle vrijheid. Er werd één grens gesteld: van de boom van kennis van  goed en kwaad mag je niet eten. Daar moesten ze van af blijven. Precies dat lukte niet.

Adam en Eva konden  de verleiding niet weerstaan aan God de Schepper gelijk te willen zijn. Toen ze gegeten hadden van de boom gingen hun de ogen open en zagen ze hun stommiteit in. Ze waren niet de Schepper. Ze waren naakte schepselen.  Ze stonden in hun hemd.

Ze werden zich ervan bewust dat ze schepselen waren die kwaad konden doen.

U weet: Als mensen iets kunnen, doen ze het ook. Atoombommen maken die de wereld vernietigen.
De grondstoffen uit de aarde halen totdat ze op zijn.
Gas uit de grond halen totdat de huizen in storten.
De oceanen vol plastic gooien totdat vissen eraan dood gaan. Maar ook: praten over zelfbeschikking en voltooid leven alsof we de baas zijn over de adem Gods die ons leven doet. Niemand geeft zich zelf het leven.

Het is een onvergefelijke fout dat schepselen er voor kiezen God gelijk te willen te zijn. Daar komt alleen maar verdeeldheid en ellende van.

Kain slaat zijn broer Abel dood en vraagt: Ben ik mijn broeders hoeder?  Terwijl hij “ja” moet zeggen, handelt hij “neen”.  Tot op de dag van vandaag gaat dat door.

Maar God zou God niet zijn als Hij de mensen hun goddeloze gang laten gaan. Integendeel, God ziet naar mensen om.  De Bijbelverhalen stoppen niet bij dat verhaal dat mensen tegen Gods wil in kunnen gaan en kwaad kunnen doen. God kiest mensen uit om met Hem een Verbond aan te gaan. Noach , Abraham, Mozes, David, de profeten, Johannes de Dopen en bovenal Jezus, zijn eigen Zoon.

God geeft mensen beloften van een nieuwe wereld en samenleving. Eerst gaf hij de Wet als boek van het verbond. Maar toen mensen de Wet gingen gebruiken om zichzelf de goeden te noemen en de anderen de kwaden, zond God zijn Zoon Jezus.

In Jezus straalde Gods Geest uit. Een bevrijdende kracht.

Een genezende macht. Een helend stem die mensen zei: Ook jij hoort bij God die liefde is.  Als jij Gods wil die liefde is, volbrengt, dan vorm je een nieuwe samenleving van zussen en broeders die met mij bidden: Onze Vader, uw rijk, uw wil, breng ons niet in beproeving en houd het kwade van ons af.  Het is een onvergefelijke stommiteit de uitnodiging om Gods kinderen te zijn af te slaan, omdat we zo nodig God de Vader willen zijn.  We hebben het toch al moeilijk genoeg om elkaars zussen en broers te zijn !

Overweging van zondag 3 juni 2018 door pastor Leon Teubner

God heeft een verbond gesloten,

een liefdesverbond met alle mensen,

een liefdesverbond met ieder van ons.

 

In de 1e lezing hoorden we dat Mozes

alle woorden en bepalingen van God opschreef

in het verbondsboek en daarna voorlas aan het volk.

 

Het volk luisterde en antwoordde eenstemmig met:

Alles wat God zegt zullen wij doen en ter harte nemen.

Vervolgens besprenkelde Mozes het altaar en het volk

met het bloed van de offerdieren en zei:

 

Dit is het bloed van het verbond dat God

op grond van al deze woorden met u sluit.

Hiermee bekrachtigt Mozes in een rite

het verbond tussen God en zijn mensen.

 

Wat opvalt is de wederkerigheid die het verbond vraagt.

God geeft zijn aanwijzingen aan het volk,

en het volk belooft te doen wat God zegt

en zijn aanwijzingen ter harte te nemen.

 

Het verbond werkt alleen maar

als beide partijen – God en de mens,

zich toevertrouwen aan elkaar,

zichzelf geheel en al aan elkaar geven.

 

God vertrouwt zich met al wat is aan ieder van ons toe,

en Hij blíjft dat doen, ja, Hij is een trouwe God.

Maar Hij vraagt daarmee ook aan ieder van ons,

dat wij ons met al wat is, toevertrouwen aan Hem.

 

Zoals Jezus zich heeft toevertrouwd aan zijn Vader tot het uiterste.

Hij heeft zich toevertrouwd aan Gods woorden en aanwijzingen.

Hij heeft ze ter harte genomen en ze met zijn leven bewaard.

 

Zo heeft Hij zijn leerlingen met zijn leven voorgedaan,

hoe zij eveneens het verbond met de Vader konden leven:

door naar Gods aanwijzingen te luisteren,

ze ter harte te nemen en ze te doen.

 

Tijdens het laatste avondmaal nu gedenkt Jezus met zijn leerlingen

het liefdesverbond dat God sloot met Mozes en het volk,

en met alle generaties na hen,

zoals al zijn geloofsgenoten deden en nog doen op het Paasfeest.

Hij benadrukt daarbij sterk de wederkerigheid.

Hij neemt tijdens de maaltijd het brood,

spreekt de zegen uit, breekt het

en geeft het aan zijn leerlingen met de woorden:

‘Neemt en eet, dit is mijn lichaam.’

 

Daarna neemt Hij de beker met wijn,

en na het spreken van het dankgebed

reikt Hij hen die toe en zegt:

‘Dit is van mij het bloed van het verbond.’

 

Jezus getuigt hier van zijn wederkerigheid

m.b.t. het liefdesverbond van zijn Vader.

Zoals de Vader zichzelf geheel geeft aan Hem in zijn woord,

zo geeft Jezus zich geheel en al aan de Vader met zijn leven:

met zijn lichaam en zijn bloed.

 

Jezus voltrekt hier op rituele wijze

wat Hij tijdens tot dan toe steeds gedaan heeft:

Hij heeft zichzelf als een instrument

ter beschikking gesteld aan zijn Vader,

door de woorden van zijn Vader ter harte te nemen en te doen.

 

Door deze rite met zijn leerlingen te voltrekken,

vraagt Hij aan hen om met hun leven hetzelfde te doen.

Als je dit brood aanneemt, dat staat voor mijn lichaam,

en als je deze wijn drinkt, dat staat voor mijn bloed,

word dan gelijk mij en doe als ik.

 

Ontvang met dit brood en met deze wijn

ook de gesteltenis waarin ik leef:

dat is, dat Ik, gelijk de Vader, trouw blijf

aan het liefdesverbond met Hem.

 

Met heel mijn lichaam en bloed,

met heel mijn hart en met al mijn kracht,

ja, met inzet van mijn leven heb Ik mij geheel gegeven:

aan jullie en aan wie ook die Ik op mijn weg tegenkwam.

 

Weet nu dit: zoals de Vader zich geheel en al geeft aan Mij

Zo geeft Hij zich ook geheel en al aan ieder van jullie.

Als jullie dus mijn leerlingen willen zijn, vertrouw er dan op

dat de Vader zich ook geheel en al geeft aan jullie.

 

En doe dan zoals Ik jullie heb voorgedaan,

Ontvang de Vader en leer van Hem uit jezelf te geven

zoals Ik deed: met lichaam en bloed, met hart en ziel,

met inzet van je leven, aan elkaar en wie er op je weg komt.

Omdat wij leerlingen van Jezus zijn,

en omdat wij zijn gesteltenis in willen oefenen,

nemen wij elke week deel aan de eucharistie,

het sacrament van brood en wijn

dat het liefdesverbond van God met ons bekrachtigt.

 

Dit sacrament van liefde biedt ons de kracht en de mogelijkheid,

om Jezus na te volgen en meer en meer te doen zoals Hij.

In het aanbieden van onze gaven van brood en wijn,

geven wij onszelf ritueel uit handen aan onze Vader.

 

Uit onze naam vraagt dan de priester aan God,

dat Hij dat brood en die wijn – wij dus – wilt zegenen

en omvormen tot het lichaam en bloed van Christus.

Dat Hij ons omvormen zal tot zijn geliefde Zoon,

dat Hij allen één zal maken tot één lichaam met Hem.

Maar dat kan alleen als wij Hem onze toestemming geven.

 

Daarom zeggen wij ook ‘Amen’

als wij brood en wijn krijgen aangeboden met de woorden:

dit is het lichaam en bloed van Christus.

Amen – ja dat is zo, dat zijn wij,

Ja, wij willen het lichaam en bloed van Christus zijn.

 

Maar daarmee is het verhaal nog niet af,

want wat wij in deze viering ritueel ondergaan,

moeten wij straks na de viering

met ons leven nog wel gaan doen.

 

Daarom klonk vroeger op het eind van de viering:

als wegzending: Ita missa est

Ga heen, dit is de mis.

 

En dit betekent zoveel als:

Ga heen om de gemeenschap met God en met elkaar

in het dagelijks leven te voltrekken

en zo al doende uit te dragen in de wereld.

 

Het liefdesverbond met God vraagt om wederkerigheid.

Het liefdesverbond van God vraagt dat wij ons,

vanuit onze ik-gerichtheid, steeds weer keren naar Hem

om te gaan leven en handelen vanuit Hem.

 

Dat wij in al ons doen en laten God blijven opzoeken.

Hij is de Enige die ons vervolmaken kan

en ons wil omvormen tot zijn lichaam en bloed,

wanneer wij Hem daarom vragen.

Tekst tgv Symposium “Geloven Gaat Door” door p. Huub Welzen OCarm

Huub Welzen  OCarm

Exegeet en onderzoeker van  Bijbelse spiritualiteit

 

Secularisatie,  (n)iets om bang voor te zijn

 

Monseigneur, dames en heren,

Niet iedereen bedoelt hetzelfde als hij het woord secularisatie gebruikt. In mijn voordracht zal ik niet op zoek gaan naar een juiste definitie van secularisatie. Wel wil ik ingaan op een drietal aspecten die naar mijn smaak van belang zijn voor het verstaan van het huidige gelovige klimaat. Eerst wil ik spreken over de veranderingen in de verhouding God en mens die vanaf het begin van de moderne tijd hebben plaats gevonden. Daarna zeg ik iets over de fragmentatie van onze maatschappij. Een derde punt is de reductie van onze waarden en normen tot rationaliteit, nuttigheid en maakbaarheid. Ik zal afronden met een poging om vanuit een gelovig standpunt een perspectief aan te reiken.

 

Veranderingen in de verhouding van God en mens

Voor de middeleeuwse mens is God de grond van ons bestaan. Alles is in God gefundeerd. In het denken over onze wereld is God het uitgangspunt. Ook de inrichting van onze werkelijkheid heeft zijn fundament in God. Dan kan mooi worden geïllustreerd aan de hand van de organisatie van de macht. De koning geeft leiding namens God. De onderdanen zijn aan de koning gehoorzaamheid verschuldigd, maar de koning is geen verantwoording verschuldigd aan zijn onderdanen. Vanuit het vaste punt dat God is, wordt de gehele werkelijkheid gedacht. God geeft zekerheid aan ons bestaan. Soms weten mystici dat God niet te vatten is in menselijke woorden, begrippen en menselijke omschrijvingen, en dat God al ons spreken te boven gaat. Ze weten dat God meer een afgrond is dan de grond van ons bestaan. Maar toch blijft staan dat alles wat we met zekerheid en vastheid kunnen zeggen over onze werkelijkheid, zijn oorsprong vindt in God. Hij is het fundament van alles wat we met zekerheid en waarheid kunnen vaststellen.

In de zestiende eeuw komt er verandering in deze opvatting over de verhouding van God en mens. De zestiende eeuw is een eeuw van crisis. Meerdere nieuwe godsdienstige overtuigingen hebben de traditionele zekerheden uit elkaar doen vallen. Er is niet langer één kerk. De reformatie heeft zich gevestigd in meerdere kerkgenootschappen en richtingen. Oorlogen en opstanden ontmantelen de politieke structuren. Hoe er anders over macht gedacht wordt kan men mooi illustreren aan de ontwikkelingen in de tachtigjarige oorlog. In ons nationale volkslied, waarvan de tekst gedateerd moet worden rond 1570, kan men lezen dat de opstandige geuzen nog vasthielden aan de gevestigde opvattingen over de macht. In het eerste couplet heet het: ‘De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd’.  Maar diezelfde geuzen ondertekenen op 26 juli 1581 het Plakkaat van Verlatinghe, waarmee ze formeel afscheid namen van de Spaanse koning Philips II. Voor het eerst in de christelijke geschiedenis werden toen de door God gegeven machtsstructuren doorbroken. De zestiende en de zeventiende eeuw zijn ook de tijd van de ontdekkingen van nieuwe volkeren en nieuwe culturen. De traditionele waarden van de eigen cultuur zijn daardoor niet meer vanzelfsprekend. De natuurwetenschappen kennen een eigen ontwikkeling. De centrale positie van de aarde in het zonnestelsel is een ernstig twistpunt in het gesprek tussen geloof en wetenschap. De mens van deze tijd is gedwongen om te zoeken naar een nieuwe zekerheid waarop het denken over onze werkelijkheid kan worden gefundeerd.

Het nieuwe fundament voor zekerheid wordt gevonden in de mens zelf. Een goed voorbeeld  is de filosoof en wiskundige René Descartes. In zijn ‘Discours de la Methode’ zoekt hij zekerheid te verkrijgen door op een systematische manier te twijfelen aan alles waarover men zekerheid zou kunnen hebben. Dit gedachte-experiment van radicale twijfel laat slechts één zekerheid over: de twijfel zelf. Men kan niet twijfelen aan het feit dat men twijfelt.  Descartes beschouwt twijfelen als een vorm van denken. Dat voert hem tot de beroemde uitspraak: ‘Ik denk, dus ik ben’. (Cogito, erg sum). Vanuit de autonomie van het denkend subject verkrijgt Descartes vervolgens zekerheid over het bestaan van de gehele werkelijkheid en ook zekerheid over het bestaan van God.

Belangrijk is het te zien welke fundamentele omslag hier heeft plaats gevonden. De grondslag van de werkelijkheid is niet langer God, maar de denkende mens.

De autonomie van het menselijk subject heeft vele goede dingen voortgebracht, die we zeker niet zouden willen missen. We danken er de democratische regeringsvormen en aan het besef van de eigen individuele vrijheid en verantwoordelijkheid. De emancipatie van onderdrukte groeperingen, het recht op zelfontplooiing en het besef van de gelijkheid van alle mensen berust op  hetzelfde uitgangspunt.

Het idee van de autonomie heeft ook keerzijden. Wanneer de mens zelf de grondslag is geworden van de zekerheid, komt als vanzelf de vraag naar de plaats van God naar boven. Als we zelf de bron van onze zekerheid zijn, is het goed mogelijk om onze werkelijkheid zonder God te denken. Dat is dan ook wat precies in de geschiedenis is gebeurd. Voor de rationalisten van de achttiende eeuw is God een werkelijkheid geworden, die niet in onze werkelijkheid ingrijpt en met wie we geen rekening hoeven te houden. God is uit onze wereld verdwenen. Een volgende stap is het dat het ook niet meer nodig is om met God een relatie te onderhouden. God is dood. En sommige theologen hebben eraan toegevoegd: de kerk is zijn graf.

 

De fragmentering van onze samenleving

Godsdienstsociologen beschrijven soms op een fascinerende wijze hoe onze samenleving uiteen is gevallen is verschillende leefwerelden. Onze samenleving is versnipperd en bestaat uit compartimenten die elkaar nauwelijks raken.  Zo is er de leefwereld van de ambtenarij en van de registratie. We hebben daarmee van doen als we bijvoorbeeld een nieuw identiteitsbewijs willen hebben. Daarnaast is er de wereld van het werk en van de arbeid. We beginnen ’s morgens als forenzen aan de nieuwe dag door ons naar ons werk te begeven. En ’s avonds verlaten we deze wereld in omgekeerde richting.  Zo is er ook de wereld van de school en het onderwijs, de wereld van de sport, van het vermaak en het entertainment, en tenslotte ook nog de wereld van het eigen gezin. Dagelijks hopt de hedendaagse mens heen en weer tussen al deze verschillende compartimenten van zijn bestaan. En eigenlijk biedt geen van deze leefwerelden een thuis. Godsdienstsociologen spreken daarom over de hedendaagse mens als over ’the homeless mind’, de thuisloze mens.

Voor godsdienst en spiritualiteit heeft de gebrokenheid van onze werkelijkheid grote gevolgen. De overkoepelende functie van godsdienst die al deze werelden waarin wij verblijven met elkaar verbond, bestaat niet meer. Godsdienst geeft geen zinvol verband meer aan al die werelden die we dagelijks bezoeken. Het rooms-katholieke mijnwerkersdorp waarin ik ben opgegroeid en waarin alles nog met elkaar samenhing, bestaat niet meer. De hedendaagse mens is een zoeker geworden, een thuisloze in de vele werelden die hij dagelijks betreedt.

Ook godsdienst en spiritualiteit zelf zijn afzonderlijke werelden geworden. Het staat je vrij om er wel of niet aan deel te nemen. Godsdienst maakt geen deel meer uit van het openbare leven. Sommigen gaan mensen zelfs zover dat ze menen dat godsdienstige symbolen uit het openbare leven dienen te verdwijnen. Godsdienst is een privézaak, die pas achter de voordeur begint. Men spreekt over de privatisering van de godsdienst.

Een ander gevolg is het verlies van het besef van traditie. Het besef dat we in een godsdienstige en culturele traditie staan en dat die traditie voor een belangrijk deel onze normen en waarden bepaalt, is aan het verdwijnen. De kennis van de christelijke traditie neemt zienderogen af. De kennis van de Bijbelse verhalen wordt steeds geringer. Grote delen van onze literatuur en onze kunstgeschiedenis zijn onverstaanbaar geworden, omdat de verhalen die er aan ten grondslag liggen niet meer bekend zijn.

 

De reductie tot rationaliteit, effectiviteit en maakbaarheid

Belangrijke waarden in onze samenleving zijn rationaliteit, effectiviteit en maakbaarheid.

Rationaliteit betekent dat besluitvorming gebaseerd moet zijn op conclusies volgens de regels van objectieve wetenschappelijke logica. In feite wordt hiermee een achterhaald negentiende-eeuws wetenschapsmodel gehanteerd. Iedereen weet dat bij objectieve bestudering de vooronderstellingen en ideeën van het bestuderend subject buiten het onderzoek gehouden moeten worden. Maar in feite is dit onmogelijk. Wanneer we onze werkelijkheid bestuderen, geldt dat we ook zelf van die werkelijkheid deel uitmaken. De affecten en belangen van de onderzoeker spelen altijd een rol bij het onderzoek. Zelfs natuurwetenschappers geven dat momenteel toe. Des temeer geldt dit voor interpretatiewetenschappen. Tegenover politieke besluiten, genomen op basis van wetenschappelijk onderzoek, kan men niet wantrouwend genoeg zijn. Al te vaak spelen economische belangen een rol.

Ik meen dat het bestaansrecht van enkel de kennis die is gebaseerd op de ratio,  een reductie is. Uiteraard moeten we onze verstandelijke vermogens niet uitschakelen. Maar geloof en spiritualiteit zijn ook geworteld in andere kenvermogens: in de liefde en in de verwondering. Liefde en verwondering maken kenbaar wat via logische deductie niet altijd zichtbaar wordt. Liefde en verwondering brengen diepte en warmte in ons bestaan, waar rationaliteit de neiging heeft de werkelijkheid te reduceren tot een ééndimensionale kilheid.

Hetzelfde geldt voor het primaat van de nuttigheid. Wie goed kijkt, kan zien dat in veel hedendaagse besluitvorming de waarden van vooruitgang en nut een belangrijke rol spelen. Maar veel mensen voelen aan dat deze waarden niet altijd sporen met christelijke en religieuze waarden als medemenselijkheid, naastenliefde en mededogen. Misschien mag ik u hier herinneren aan de beroemde uitspraak van de joodse filosoof Martin Buber: ‘Succes is geen godsnaam’. En bij de redenen waarom u van uw geliefden houdt, speelt nuttigheid waarschijnlijk een zeer geringe rol.

Ook de idee dat alles maakbaar is, is niet steeds in overeenstemming met religieuze en godsdienstige normen en waarden. Nog niet zo lang geleden was er een nieuwsitem dat het wetenschappers gelukt was om uit stamcellen muizenembryo’s te kweken. Deze stap heeft belangrijke gevolgen voor de mogelijkheden in de voortplanting en voor de ontwikkeling van medicijnen. De interviewer vroeg door naar de mogelijkheden bij mensen. ‘Van muis naar mens is maar een kleine stap,’ was het antwoord. De idee dat we ook alles gaan doen wat we kunnen doen, riep bij mij toch enkele ethische kriebels op. Het roept vragen op waarop ik het antwoord niet weet. Het is niet vanzelfsprekend, dat alles moet wat kan.

 

Een benadering vanuit spiritualiteit

Bij de poging iets te zeggen over hoe secularisatie tegemoet te treden heb ik niet de pretentie sluitende antwoorden te geven. Vanuit mijn eigen geloof en mijn eigen spiritualiteit probeer ik om te gaan met de ontwikkelingen in onze maatschappij. Mijn benadering is gekleurd door een jarenlange omgang met Bijbelse teksten, met name die van het Nieuwe Testament.

Spiritualiteit vat ik allereerst op als leven in betrekking. Met het woord betrekking komt de ander en het andere in het vizier. Hier ligt een fundamentele kritiek op de basiswaarden die de inrichting van de moderne westerse maatschappij kenmerken. Grote delen van de hedendaagse samenleving zijn nog steeds gefundeerd op de zekerheid van het autonome subject. Leven in relatie betekent daartegenover dat de ander en het andere op mij inwerkt en zijn invloed op mij heeft. Mijn identiteit wordt mede gevormd door in betrekking te treden. De ander heeft invloed op mij en op wie ik ben. In de relatie schenken de partners elkaar hun identiteit. Wie ik ben, is de genadegave die ik van de ander mag ontvangen.

Leven in betrekking is ook leven in relatie met een andere, mij overstijgende werkelijkheid. Ik kan niet over de ander beschikken, of hem naar mijn hand zetten. Dat geldt des temeer waar spiritualiteit betekent leven in betrekking tot een transcendente werkelijkheid die al ons menselijk bevattingsvermogen principieel te boven gaat. Het geheim van alle leven dat wij God noemen, onttrekt zich aan alle pogingen het te bevatten en erover te beschikken. Tegelijk echter omvat het mij en vormt het mij. Leven in relatie tot God is leven in relatie tot een alles overstijgende werkelijkheid, die zich tegelijk met mij engageert en mijn gehele leven doortrekt.

Deze opvatting van spiritualiteit is nooit vrijblijvend. Leven in betrekking betekent immers dat de ander in mijn wereld mag binnen komen en dat hij mij raakt, zodat ik, omgekeerd, met alle verschuldigde eerbied en respect, zijn wereld mag betreden.

Een prachtig voorbeeld hoe identiteit wordt gevonden in de betrekking, bieden de synoptische evangelies. Aan het begin de evangelies wordt verteld hoe Jezus wordt gedoopt in de Jordaan. Tijdens deze doop klinkt een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn zoon.’ De identiteit van Jezus als zoon van God is geworteld in de liefde van God voor zijn zoon: ‘Jij bent mijn zoon van wie ik hou.’ Dit liefdesaanbod van God krijgt een antwoord in het gebed van Jezus in Getsemane: ‘Abba, vader, U kunt alles. Neem deze beker van mij weg. Maar niet wat ik wil, maar U wilt.’ Het liefdesaanbod van God dat Jezus zijn identiteit heeft gegeven, krijgt een antwoord in de liefdesovergave van Jezus aan God. Zoon geworden spreekt hij God aan als Abba, vader.

Spiritualiteit wordt vaak gelijk gesteld met wellness. Onze werkelijkheid is echter een gebroken werkelijkheid. Ons geluk wordt soms stuk gebroken door ziekte, dood, crisis, onrecht en machteloosheid. Soms is het alsof God zich terug getrokken heeft van onze wereld, dat Hij in mijn bestaan afwezig is. Vele grote spiritualiteiten zijn ontstaan in de confrontatie met het lijden dat zich in ons bestaan voordoet, of in de confrontatie met onrecht dat mensen elkaar aandoen. Ook de ervaring van Gods afwezigheid kan in de relatie met God worden uitgedrukt. “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” is een gebed dat ín het uitspreken van de klacht een logische paradox is. Het aanspreken van God veronderstelt immers zijn aanwezigheid. Toch is de duisternis alleen het enige gezelschap van de bidder. God wordt aangesproken, terwijl de duisternis blijft.  Bidders leggen hun nood aan God voor. Ze doen dit in allerlei toonaarden. Ze roepen, klagen en jammeren. Een enkele keer beschuldigen ze zelfs God dat Hij hen ten onrechte in de steek heeft gelaten. Maar steeds is er ook dat de andersheid van God wordt aanvaard, dat we God niet in de kaart kunnen kijken en dat we Hem niet voor ons karretje kunnen spannen. Ook in onze nood kunnen we niet over God beschikken en Hem niet voorschrijven hoe Hij moet handelen.

We spreken over het geheim ven God. Dat is niet eenvoudig. Onze gewone, conceptualiserende en definiërende taal is niet geschikt. Het woordloze geheim ontsnapt immers steeds aan onze woorden, en het onuitspreekbare is te groot voor wat we zeggen. Toch kan taal ons, als we bereid zijn om niet alleen naar, maar ook in en achter de woorden te luisteren, invoeren in het geheim dat ons allen draagt. Wanneer we de poëzie in de woorden horen, wanneer we de schoonheid zien in de schepping, en het gelaat van God herkennen in het gelaat van de mens die naast ons staat, mogen we God aanwezig weten in ons bestaan. Het is een weten dat ons gewone kennen te boven gaat. Het is het weten van de liefde. Het is immers de liefde zelf die ons leert de aanwezigheid van Gods  geheim te ontdekken en te verstaan.

 

Ik sluit mijn voordracht af met u allen te feliciteren met het vijftigjarig bestaan van de Sint Jozefkerk. Proficiat.

 

 

 

 

 

 

Tekst tgv Symposium Geloven Gaat Door ” door Ds. Henk Spoelstra

Henk Spoelstra,

predikant van de Paaskerk in Oss

 

Kerken zoeken elkaar

 

Het is mij een eer om in uw midden te zijn vanmiddag. In een seculiere maatschappij zoeken kerken elkaar op. Dat is het thema dat ik hier aan mag snijden. Wat ik van dat thema vind is sterk gekleurd door mijn levensloop, zo realiseerde ik me al denkend. Die levensloop doet dan ook volop mee in dit verhaal en maakt naar ik hoop mijn positie duidelijker.

 

Ik groeide op in een domineesgezin en raakte vroeg vertrouwd met kerk en geloof, de Bijbelse verhalen en met ‘kerkenwerk’. Allerlei lijnen van kerk en christendom liepen door ons gezin heen, zonder overigens enige dwang en zonder veel dogmatisme. Ik bewaar er warme en goede herinneringen aan. In 1968, ik was twaalf jaar, verhuisden we naar Roermond, de bisschopsstad. Met bloeiend jeugd- en jongerenwerk waar ik van harte aan mee ging doen. Met jongerenvieringen, ook samen met katholieke jongerengroepen. Het was in mijn herinnering ontspannen en plezierig, er was veel oecumenisch enthousiasme. Ook bij de volwassenen. Maar toen werd het 1972 en ging er met bisschop Gijsen een andere wind waaien. Wij mochten met onze vieringen geen gebruik meer maken van katholieke kerken en al helemaal niet meer vieren met brood en wijn. Een gesprek met de bisschop deed hem niet van mening veranderen. Wij waren wellicht naïef. Maar toch ook hoopvol. En enthousiast. Maar met forse tegenwind bleef er toch niet zo heel veel meer overeind na verloop van tijd, een enkele ontmoeting daargelaten. Het geheel stond onder spanning. Meer en meer ging iedereen weer zijn eigen weg, en ik ging studeren in Amsterdam in 1975.

 

Wat hield ik aan die jaren over? Achteraf zeg ik: de overtuiging dat het goed is om elkaar te ontmoeten, omdat “wij allen één zijn”,  met woorden uit het hogepriesterlijk gebed van Jezus uit Johannes 17. Ik heb in die jaren een grote verbondenheid ervaren, ook in geloofsovertuiging, tussen katholieken en protestanten. Die is nooit meer verdwenen, ondanks de bisschoppelijke tegenwind van dat moment. De schaduw die over de oecumene viel heeft dat besef van verbondenheid ook niet kunnen wegnemen. En dat besef van verbondenheid ontstond door de ontmoeting en het samen vieren en het samen doen.

 

Later vond ik diezelfde verbondenheid terug bij de Franciscanen toen ik in Amsterdam, waar ik na mijn studie begon als predikant, reisleider werd bij de (Franciscaanse) Stichting Cultura, die in die tijd, de jaren tachtig, nog oecumenereizen organiseerde naar –in mijn geval- Florence, Assisi en Ravenna. Reizen, geleid door een priester, en een predikant. Een groot besef van verbondenheid, een gedeeld geloof, en een voor mij treffende en ontroerende eenvoud en bescheidenheid, maar ook hartelijkheid  bij de Franciscaanse pater met wie ik die reizen mocht leiden. Ik weet van alle dogmatische en kerkelijke verschillen en geschillen die de loop van de eeuwen bepaalden, en ik kan me heus wel protestant voelen van tijd tot tijd, maar dat besef van eenheid en verbondenheid in geloofsovertuiging (kinderen van één Vader) dat heeft toch wel diep wortel geschoten in mijn leven. Als ik het mij goed herinner zijn die woorden van Jezus ‘opdat zij allen één zijn” ook het Leitmotiv geweest van die oecumenereizen van Culturra destijds. Ze zijn er niet meer, en de Stichting Cultura ging ter ziele. Niet alleen vanwege de tegenwind die de oecumene kende, maar ook omdat dergelijke cultuurreizen het af gingen leggen tegen het massatoerisme van de All Inclusives naar Turkije en elders.

 

Wat betekent dat voor nu? In een maatschappij die steeds verder en diepgaander seculariseert? Waarin de grote en,  zeggen we dan ‘institutionele’ kerken steeds kleiner worden, marginaler, althans in dit deel van de wereld?

 

Dat besef van verbondenheid is ontstaan door contact en ontmoeting. Die is en blijft dan in mijn besef hard nodig! Dat spreekt niet meer zo vanzelf na de laatste decennia met tegenwind wat de oecumene aangaat. Maar bovendien ook niet vanwege een groot tijdsbeslag dat gelegd wordt op de kerken en de kerkbesturen waar het gaat om de toekomst. Een overlevingsmodus in de storm die de secularisatie is. Ik lees over kerksluitingen –een vriend van mijn middelbare school, het bisschoppelijk college werd diaken in het bisdom Breda en werd (mee) verantwoordelijk voor de sluiting van kerken. Hij vroeg even geleden aan zijn bisschop of hij weer naar een parochie mocht want tien jaar van kerksluitingen hadden hem toch wel mismoedig gemaakt. En in protestantse kring is het niet veel anders, al doen wij wel stoer met ons project ‘Kerk 2025, back to basics’, in goed hedendaags Nederlands. Maar als je van 74 classes (regionale verbanden) terug gaat naar 11, dan is dat een enorme schaalvergroting, veroorzaakt door het gebrek aan mensen, vrijwilligers, die deze regionale verbanden vorm willen en kunnen geven. Een enorme bezuiniging/verschraling. De afgelopen jaren halveerde het personeelsbestand al van ons Landelijk Dienstencentrum in Utrecht.

 

Contact en ontmoeting. Misschien nog wel harder nodig dan in de zeven ‘vette jaren’ van de oecumene om met Genesis te spreken. Om geloof te delen, elkaar te steunen in de vragen van deze tijd die op ons allemaal afkomen. Om elkaar te bemoedigen met het gedeelde evangelie. Met een variatie op dit thema: ook, juist in een seculiere maatschappij zoeken kerken elkaar.

 

Maar ik ben in de loop der jaren ook pragmatisch geworden. Doe wat kan, maar overvraag elkaar niet. In een vorige gemeente had ik een collega die te hoop liep tegen het verbod van de nieuwe plaatselijke pastoor op diensten met intercommunie. Ik begreep zijn teleurstelling heel goed –hij deelde die met mij en met vele katholieken, na meer dan dertig jaar (!) intercommunie. Maar ik begreep niet zijn voortdurende gemier om dat toch weer voor elkaar te krijgen, en er in elk oecumenisch overleg op terug te komen en dan ook andere vieringen organiseren waar brood en wijn gedeeld moesten worden al heette het dan ‘agape’  in plaats van eucharistie of avondmaal. Hou er mee op, dacht ik. Je dient er niemand mee, alleen je eigen gelijk –en daar gaat het in de kerk dacht ik juist niet om. Je breekt eerder af dan je opbouwt. En omzien in teleurstelling  en wrok helpt ook niet verder. Doe wat kan, en dat is nog heel veel. Ik heb al weer even geleden opgetrokken aan een boekje van kardinaal Walter Kasper, emeritus voorzitter van de Pauselijke Raad voor de Eenheid (als ik het goed zeg, dat luistert nauw in dit gezelschap). Ik ben de titel van de brochure/het boekje kwijt. Maar het ging erover dat je als kerken en als christenen alle ruimte hebt om samen te bidden, om samen te luisteren naar de Schrift, om samen van gedachten te wisselen over thema’s uit geloof en samenleving. En hij brak daar ook een lans voor! Kortom: er is en blijft ruimte voor ontmoeting, ook zonder de zaken die zo gevoelig liggen. Laten we ervoor zorgen dat die niet de oorzaak worden van een breuk in de contacten. Elkaar dus blijven ontmoeten.

 

Zo hebben we dat de afgelopen jaren ook hier in Oss geprobeerd. En van harte! In vespers, ook met (en in!) de Grote Kerk, zo hebben we een mooi gezamenlijk programma gehad rond Luther –ik denk er met dankbaarheid aan terug, in oecumenische diensten op de zondagmorgen. Er lag een oud en langlopend contact met de Heilig Hartkerk vanuit de Paaskerk, maar toen dat moeilijk werd is het contact met deze kerk tot stand gekomen, al bleven er persoonlijke contacten met de Heilig Hartkerk gelukkig. En we hebben als Paaskerk weer iets van een nieuw elan ervaren in het contact met deze parochie. Verrijkend en stimulerend. Ook vanwege de hartelijkheid die we ervaren. De reacties zijn en blijven enthousiast en ook zelf ervaar ik de kracht van de Geest in onze gezamenlijke vieringen. En dan heb ik het nog niet over Het Osse Inloophuis dat al vele jaren een plaats is van ontmoeting voor wie wil, binnen en buiten de kerk, maar gedragen door de gezamenlijke kerken.

 

Kerken zoeken elkaar dus op in wat zij samen kunnen doen, vieren en beleven. Ook nu nog, anno 2018. En die seculiere maatschappij die zo vaak negatief wordt bejegend –en daar is heel wat voor te zeggen als je op zondagmorgen nogal wat lege kerkbanken ziet… die seculiere maatschappij heeft wat mij betreft ook hele positieve kanten, ook voor de oecumene. Ik merk in mijn eigen kerk dat alle triomfalisme verdwenen is. Het triomfalisme binnen mijn protestantse kerk waarin men zich superieur achtte aan het rooms-katholicisme, daar waren wij voorbij immers, met het zuivere evangelie. Mijn kerk (synodaal-gereformeerd) die zich superieur achtte aan de Nederlands Hervormde Kerk, want wij hadden een nóg zuiverder en onversneden evangelie, en geen vrijzinnigheid. De grote kerken die bijvoorbeeld de evangelische groepen neer plachtten te zetten als ‘sektarisch’. Ik kom het niet meer of in elk geval steeds minder tegen in Brabant en in de contacten die ik heb. Wij zingen een toontje lager. En dat is goed, want triomfalisme past ons kerk en als christen niet. Vanuit wat ik een nieuwe bescheidenheid noem komt er meer ruimte voor het contact met de ander. Voor een werkelijke ontmoeting. Ik duid in dat opzicht de secularisatie positief. Ik meen bij jongere generaties een neutrale houding te zien ten aanzien van kerk en geloof. Zeg maar wat het met je doet, dan zie ik wel of ik het ook wat vind. Geen aversie die ik zo lang geproefd heb. Toen ik begon in Amsterdam kreeg ik soms te horen: komt dat nog steeds voor, mensen die dominee worden? Het geloof, is dat niet achterhaald? Passé? Nee. Ik reken mij niet rijk, maar meen wel iets van een kentering te zien.

 

Geloven gaat door! God laat niet los wat Zijn hand begon. Laten wij elkaar blijven opzoeken, ook in een seculiere wereld. Verbinding zoeken, tussen hemel en aarde, op aarde onderling!

 

Tot slot: mijn kerkenraad vroeg mij met klem om u namens de Protestantse Gemeente Oss en omstreken allerhartelijkst te feliciteren met dit jubileum. Ik doe dat met plezier. En met bloemen! En nog vele jaren…

 

Henk Spoelstra

Oss, 18 mei 2018