Tekst tgv Symposium “Geloven Gaat Door” door p. Huub Welzen OCarm

Huub Welzen  OCarm

Exegeet en onderzoeker van  Bijbelse spiritualiteit

 

Secularisatie,  (n)iets om bang voor te zijn

 

Monseigneur, dames en heren,

Niet iedereen bedoelt hetzelfde als hij het woord secularisatie gebruikt. In mijn voordracht zal ik niet op zoek gaan naar een juiste definitie van secularisatie. Wel wil ik ingaan op een drietal aspecten die naar mijn smaak van belang zijn voor het verstaan van het huidige gelovige klimaat. Eerst wil ik spreken over de veranderingen in de verhouding God en mens die vanaf het begin van de moderne tijd hebben plaats gevonden. Daarna zeg ik iets over de fragmentatie van onze maatschappij. Een derde punt is de reductie van onze waarden en normen tot rationaliteit, nuttigheid en maakbaarheid. Ik zal afronden met een poging om vanuit een gelovig standpunt een perspectief aan te reiken.

 

Veranderingen in de verhouding van God en mens

Voor de middeleeuwse mens is God de grond van ons bestaan. Alles is in God gefundeerd. In het denken over onze wereld is God het uitgangspunt. Ook de inrichting van onze werkelijkheid heeft zijn fundament in God. Dan kan mooi worden geïllustreerd aan de hand van de organisatie van de macht. De koning geeft leiding namens God. De onderdanen zijn aan de koning gehoorzaamheid verschuldigd, maar de koning is geen verantwoording verschuldigd aan zijn onderdanen. Vanuit het vaste punt dat God is, wordt de gehele werkelijkheid gedacht. God geeft zekerheid aan ons bestaan. Soms weten mystici dat God niet te vatten is in menselijke woorden, begrippen en menselijke omschrijvingen, en dat God al ons spreken te boven gaat. Ze weten dat God meer een afgrond is dan de grond van ons bestaan. Maar toch blijft staan dat alles wat we met zekerheid en vastheid kunnen zeggen over onze werkelijkheid, zijn oorsprong vindt in God. Hij is het fundament van alles wat we met zekerheid en waarheid kunnen vaststellen.

In de zestiende eeuw komt er verandering in deze opvatting over de verhouding van God en mens. De zestiende eeuw is een eeuw van crisis. Meerdere nieuwe godsdienstige overtuigingen hebben de traditionele zekerheden uit elkaar doen vallen. Er is niet langer één kerk. De reformatie heeft zich gevestigd in meerdere kerkgenootschappen en richtingen. Oorlogen en opstanden ontmantelen de politieke structuren. Hoe er anders over macht gedacht wordt kan men mooi illustreren aan de ontwikkelingen in de tachtigjarige oorlog. In ons nationale volkslied, waarvan de tekst gedateerd moet worden rond 1570, kan men lezen dat de opstandige geuzen nog vasthielden aan de gevestigde opvattingen over de macht. In het eerste couplet heet het: ‘De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd’.  Maar diezelfde geuzen ondertekenen op 26 juli 1581 het Plakkaat van Verlatinghe, waarmee ze formeel afscheid namen van de Spaanse koning Philips II. Voor het eerst in de christelijke geschiedenis werden toen de door God gegeven machtsstructuren doorbroken. De zestiende en de zeventiende eeuw zijn ook de tijd van de ontdekkingen van nieuwe volkeren en nieuwe culturen. De traditionele waarden van de eigen cultuur zijn daardoor niet meer vanzelfsprekend. De natuurwetenschappen kennen een eigen ontwikkeling. De centrale positie van de aarde in het zonnestelsel is een ernstig twistpunt in het gesprek tussen geloof en wetenschap. De mens van deze tijd is gedwongen om te zoeken naar een nieuwe zekerheid waarop het denken over onze werkelijkheid kan worden gefundeerd.

Het nieuwe fundament voor zekerheid wordt gevonden in de mens zelf. Een goed voorbeeld  is de filosoof en wiskundige René Descartes. In zijn ‘Discours de la Methode’ zoekt hij zekerheid te verkrijgen door op een systematische manier te twijfelen aan alles waarover men zekerheid zou kunnen hebben. Dit gedachte-experiment van radicale twijfel laat slechts één zekerheid over: de twijfel zelf. Men kan niet twijfelen aan het feit dat men twijfelt.  Descartes beschouwt twijfelen als een vorm van denken. Dat voert hem tot de beroemde uitspraak: ‘Ik denk, dus ik ben’. (Cogito, erg sum). Vanuit de autonomie van het denkend subject verkrijgt Descartes vervolgens zekerheid over het bestaan van de gehele werkelijkheid en ook zekerheid over het bestaan van God.

Belangrijk is het te zien welke fundamentele omslag hier heeft plaats gevonden. De grondslag van de werkelijkheid is niet langer God, maar de denkende mens.

De autonomie van het menselijk subject heeft vele goede dingen voortgebracht, die we zeker niet zouden willen missen. We danken er de democratische regeringsvormen en aan het besef van de eigen individuele vrijheid en verantwoordelijkheid. De emancipatie van onderdrukte groeperingen, het recht op zelfontplooiing en het besef van de gelijkheid van alle mensen berust op  hetzelfde uitgangspunt.

Het idee van de autonomie heeft ook keerzijden. Wanneer de mens zelf de grondslag is geworden van de zekerheid, komt als vanzelf de vraag naar de plaats van God naar boven. Als we zelf de bron van onze zekerheid zijn, is het goed mogelijk om onze werkelijkheid zonder God te denken. Dat is dan ook wat precies in de geschiedenis is gebeurd. Voor de rationalisten van de achttiende eeuw is God een werkelijkheid geworden, die niet in onze werkelijkheid ingrijpt en met wie we geen rekening hoeven te houden. God is uit onze wereld verdwenen. Een volgende stap is het dat het ook niet meer nodig is om met God een relatie te onderhouden. God is dood. En sommige theologen hebben eraan toegevoegd: de kerk is zijn graf.

 

De fragmentering van onze samenleving

Godsdienstsociologen beschrijven soms op een fascinerende wijze hoe onze samenleving uiteen is gevallen is verschillende leefwerelden. Onze samenleving is versnipperd en bestaat uit compartimenten die elkaar nauwelijks raken.  Zo is er de leefwereld van de ambtenarij en van de registratie. We hebben daarmee van doen als we bijvoorbeeld een nieuw identiteitsbewijs willen hebben. Daarnaast is er de wereld van het werk en van de arbeid. We beginnen ’s morgens als forenzen aan de nieuwe dag door ons naar ons werk te begeven. En ’s avonds verlaten we deze wereld in omgekeerde richting.  Zo is er ook de wereld van de school en het onderwijs, de wereld van de sport, van het vermaak en het entertainment, en tenslotte ook nog de wereld van het eigen gezin. Dagelijks hopt de hedendaagse mens heen en weer tussen al deze verschillende compartimenten van zijn bestaan. En eigenlijk biedt geen van deze leefwerelden een thuis. Godsdienstsociologen spreken daarom over de hedendaagse mens als over ’the homeless mind’, de thuisloze mens.

Voor godsdienst en spiritualiteit heeft de gebrokenheid van onze werkelijkheid grote gevolgen. De overkoepelende functie van godsdienst die al deze werelden waarin wij verblijven met elkaar verbond, bestaat niet meer. Godsdienst geeft geen zinvol verband meer aan al die werelden die we dagelijks bezoeken. Het rooms-katholieke mijnwerkersdorp waarin ik ben opgegroeid en waarin alles nog met elkaar samenhing, bestaat niet meer. De hedendaagse mens is een zoeker geworden, een thuisloze in de vele werelden die hij dagelijks betreedt.

Ook godsdienst en spiritualiteit zelf zijn afzonderlijke werelden geworden. Het staat je vrij om er wel of niet aan deel te nemen. Godsdienst maakt geen deel meer uit van het openbare leven. Sommigen gaan mensen zelfs zover dat ze menen dat godsdienstige symbolen uit het openbare leven dienen te verdwijnen. Godsdienst is een privézaak, die pas achter de voordeur begint. Men spreekt over de privatisering van de godsdienst.

Een ander gevolg is het verlies van het besef van traditie. Het besef dat we in een godsdienstige en culturele traditie staan en dat die traditie voor een belangrijk deel onze normen en waarden bepaalt, is aan het verdwijnen. De kennis van de christelijke traditie neemt zienderogen af. De kennis van de Bijbelse verhalen wordt steeds geringer. Grote delen van onze literatuur en onze kunstgeschiedenis zijn onverstaanbaar geworden, omdat de verhalen die er aan ten grondslag liggen niet meer bekend zijn.

 

De reductie tot rationaliteit, effectiviteit en maakbaarheid

Belangrijke waarden in onze samenleving zijn rationaliteit, effectiviteit en maakbaarheid.

Rationaliteit betekent dat besluitvorming gebaseerd moet zijn op conclusies volgens de regels van objectieve wetenschappelijke logica. In feite wordt hiermee een achterhaald negentiende-eeuws wetenschapsmodel gehanteerd. Iedereen weet dat bij objectieve bestudering de vooronderstellingen en ideeën van het bestuderend subject buiten het onderzoek gehouden moeten worden. Maar in feite is dit onmogelijk. Wanneer we onze werkelijkheid bestuderen, geldt dat we ook zelf van die werkelijkheid deel uitmaken. De affecten en belangen van de onderzoeker spelen altijd een rol bij het onderzoek. Zelfs natuurwetenschappers geven dat momenteel toe. Des temeer geldt dit voor interpretatiewetenschappen. Tegenover politieke besluiten, genomen op basis van wetenschappelijk onderzoek, kan men niet wantrouwend genoeg zijn. Al te vaak spelen economische belangen een rol.

Ik meen dat het bestaansrecht van enkel de kennis die is gebaseerd op de ratio,  een reductie is. Uiteraard moeten we onze verstandelijke vermogens niet uitschakelen. Maar geloof en spiritualiteit zijn ook geworteld in andere kenvermogens: in de liefde en in de verwondering. Liefde en verwondering maken kenbaar wat via logische deductie niet altijd zichtbaar wordt. Liefde en verwondering brengen diepte en warmte in ons bestaan, waar rationaliteit de neiging heeft de werkelijkheid te reduceren tot een ééndimensionale kilheid.

Hetzelfde geldt voor het primaat van de nuttigheid. Wie goed kijkt, kan zien dat in veel hedendaagse besluitvorming de waarden van vooruitgang en nut een belangrijke rol spelen. Maar veel mensen voelen aan dat deze waarden niet altijd sporen met christelijke en religieuze waarden als medemenselijkheid, naastenliefde en mededogen. Misschien mag ik u hier herinneren aan de beroemde uitspraak van de joodse filosoof Martin Buber: ‘Succes is geen godsnaam’. En bij de redenen waarom u van uw geliefden houdt, speelt nuttigheid waarschijnlijk een zeer geringe rol.

Ook de idee dat alles maakbaar is, is niet steeds in overeenstemming met religieuze en godsdienstige normen en waarden. Nog niet zo lang geleden was er een nieuwsitem dat het wetenschappers gelukt was om uit stamcellen muizenembryo’s te kweken. Deze stap heeft belangrijke gevolgen voor de mogelijkheden in de voortplanting en voor de ontwikkeling van medicijnen. De interviewer vroeg door naar de mogelijkheden bij mensen. ‘Van muis naar mens is maar een kleine stap,’ was het antwoord. De idee dat we ook alles gaan doen wat we kunnen doen, riep bij mij toch enkele ethische kriebels op. Het roept vragen op waarop ik het antwoord niet weet. Het is niet vanzelfsprekend, dat alles moet wat kan.

 

Een benadering vanuit spiritualiteit

Bij de poging iets te zeggen over hoe secularisatie tegemoet te treden heb ik niet de pretentie sluitende antwoorden te geven. Vanuit mijn eigen geloof en mijn eigen spiritualiteit probeer ik om te gaan met de ontwikkelingen in onze maatschappij. Mijn benadering is gekleurd door een jarenlange omgang met Bijbelse teksten, met name die van het Nieuwe Testament.

Spiritualiteit vat ik allereerst op als leven in betrekking. Met het woord betrekking komt de ander en het andere in het vizier. Hier ligt een fundamentele kritiek op de basiswaarden die de inrichting van de moderne westerse maatschappij kenmerken. Grote delen van de hedendaagse samenleving zijn nog steeds gefundeerd op de zekerheid van het autonome subject. Leven in relatie betekent daartegenover dat de ander en het andere op mij inwerkt en zijn invloed op mij heeft. Mijn identiteit wordt mede gevormd door in betrekking te treden. De ander heeft invloed op mij en op wie ik ben. In de relatie schenken de partners elkaar hun identiteit. Wie ik ben, is de genadegave die ik van de ander mag ontvangen.

Leven in betrekking is ook leven in relatie met een andere, mij overstijgende werkelijkheid. Ik kan niet over de ander beschikken, of hem naar mijn hand zetten. Dat geldt des temeer waar spiritualiteit betekent leven in betrekking tot een transcendente werkelijkheid die al ons menselijk bevattingsvermogen principieel te boven gaat. Het geheim van alle leven dat wij God noemen, onttrekt zich aan alle pogingen het te bevatten en erover te beschikken. Tegelijk echter omvat het mij en vormt het mij. Leven in relatie tot God is leven in relatie tot een alles overstijgende werkelijkheid, die zich tegelijk met mij engageert en mijn gehele leven doortrekt.

Deze opvatting van spiritualiteit is nooit vrijblijvend. Leven in betrekking betekent immers dat de ander in mijn wereld mag binnen komen en dat hij mij raakt, zodat ik, omgekeerd, met alle verschuldigde eerbied en respect, zijn wereld mag betreden.

Een prachtig voorbeeld hoe identiteit wordt gevonden in de betrekking, bieden de synoptische evangelies. Aan het begin de evangelies wordt verteld hoe Jezus wordt gedoopt in de Jordaan. Tijdens deze doop klinkt een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn zoon.’ De identiteit van Jezus als zoon van God is geworteld in de liefde van God voor zijn zoon: ‘Jij bent mijn zoon van wie ik hou.’ Dit liefdesaanbod van God krijgt een antwoord in het gebed van Jezus in Getsemane: ‘Abba, vader, U kunt alles. Neem deze beker van mij weg. Maar niet wat ik wil, maar U wilt.’ Het liefdesaanbod van God dat Jezus zijn identiteit heeft gegeven, krijgt een antwoord in de liefdesovergave van Jezus aan God. Zoon geworden spreekt hij God aan als Abba, vader.

Spiritualiteit wordt vaak gelijk gesteld met wellness. Onze werkelijkheid is echter een gebroken werkelijkheid. Ons geluk wordt soms stuk gebroken door ziekte, dood, crisis, onrecht en machteloosheid. Soms is het alsof God zich terug getrokken heeft van onze wereld, dat Hij in mijn bestaan afwezig is. Vele grote spiritualiteiten zijn ontstaan in de confrontatie met het lijden dat zich in ons bestaan voordoet, of in de confrontatie met onrecht dat mensen elkaar aandoen. Ook de ervaring van Gods afwezigheid kan in de relatie met God worden uitgedrukt. “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” is een gebed dat ín het uitspreken van de klacht een logische paradox is. Het aanspreken van God veronderstelt immers zijn aanwezigheid. Toch is de duisternis alleen het enige gezelschap van de bidder. God wordt aangesproken, terwijl de duisternis blijft.  Bidders leggen hun nood aan God voor. Ze doen dit in allerlei toonaarden. Ze roepen, klagen en jammeren. Een enkele keer beschuldigen ze zelfs God dat Hij hen ten onrechte in de steek heeft gelaten. Maar steeds is er ook dat de andersheid van God wordt aanvaard, dat we God niet in de kaart kunnen kijken en dat we Hem niet voor ons karretje kunnen spannen. Ook in onze nood kunnen we niet over God beschikken en Hem niet voorschrijven hoe Hij moet handelen.

We spreken over het geheim ven God. Dat is niet eenvoudig. Onze gewone, conceptualiserende en definiërende taal is niet geschikt. Het woordloze geheim ontsnapt immers steeds aan onze woorden, en het onuitspreekbare is te groot voor wat we zeggen. Toch kan taal ons, als we bereid zijn om niet alleen naar, maar ook in en achter de woorden te luisteren, invoeren in het geheim dat ons allen draagt. Wanneer we de poëzie in de woorden horen, wanneer we de schoonheid zien in de schepping, en het gelaat van God herkennen in het gelaat van de mens die naast ons staat, mogen we God aanwezig weten in ons bestaan. Het is een weten dat ons gewone kennen te boven gaat. Het is het weten van de liefde. Het is immers de liefde zelf die ons leert de aanwezigheid van Gods  geheim te ontdekken en te verstaan.

 

Ik sluit mijn voordracht af met u allen te feliciteren met het vijftigjarig bestaan van de Sint Jozefkerk. Proficiat.

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s