Tekst tgv Symposium “Geloven Gaat Door” door p. Huub Welzen OCarm

Huub Welzen  OCarm

Exegeet en onderzoeker van  Bijbelse spiritualiteit

 

Secularisatie,  (n)iets om bang voor te zijn

 

Monseigneur, dames en heren,

Niet iedereen bedoelt hetzelfde als hij het woord secularisatie gebruikt. In mijn voordracht zal ik niet op zoek gaan naar een juiste definitie van secularisatie. Wel wil ik ingaan op een drietal aspecten die naar mijn smaak van belang zijn voor het verstaan van het huidige gelovige klimaat. Eerst wil ik spreken over de veranderingen in de verhouding God en mens die vanaf het begin van de moderne tijd hebben plaats gevonden. Daarna zeg ik iets over de fragmentatie van onze maatschappij. Een derde punt is de reductie van onze waarden en normen tot rationaliteit, nuttigheid en maakbaarheid. Ik zal afronden met een poging om vanuit een gelovig standpunt een perspectief aan te reiken.

 

Veranderingen in de verhouding van God en mens

Voor de middeleeuwse mens is God de grond van ons bestaan. Alles is in God gefundeerd. In het denken over onze wereld is God het uitgangspunt. Ook de inrichting van onze werkelijkheid heeft zijn fundament in God. Dan kan mooi worden geïllustreerd aan de hand van de organisatie van de macht. De koning geeft leiding namens God. De onderdanen zijn aan de koning gehoorzaamheid verschuldigd, maar de koning is geen verantwoording verschuldigd aan zijn onderdanen. Vanuit het vaste punt dat God is, wordt de gehele werkelijkheid gedacht. God geeft zekerheid aan ons bestaan. Soms weten mystici dat God niet te vatten is in menselijke woorden, begrippen en menselijke omschrijvingen, en dat God al ons spreken te boven gaat. Ze weten dat God meer een afgrond is dan de grond van ons bestaan. Maar toch blijft staan dat alles wat we met zekerheid en vastheid kunnen zeggen over onze werkelijkheid, zijn oorsprong vindt in God. Hij is het fundament van alles wat we met zekerheid en waarheid kunnen vaststellen.

In de zestiende eeuw komt er verandering in deze opvatting over de verhouding van God en mens. De zestiende eeuw is een eeuw van crisis. Meerdere nieuwe godsdienstige overtuigingen hebben de traditionele zekerheden uit elkaar doen vallen. Er is niet langer één kerk. De reformatie heeft zich gevestigd in meerdere kerkgenootschappen en richtingen. Oorlogen en opstanden ontmantelen de politieke structuren. Hoe er anders over macht gedacht wordt kan men mooi illustreren aan de ontwikkelingen in de tachtigjarige oorlog. In ons nationale volkslied, waarvan de tekst gedateerd moet worden rond 1570, kan men lezen dat de opstandige geuzen nog vasthielden aan de gevestigde opvattingen over de macht. In het eerste couplet heet het: ‘De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd’.  Maar diezelfde geuzen ondertekenen op 26 juli 1581 het Plakkaat van Verlatinghe, waarmee ze formeel afscheid namen van de Spaanse koning Philips II. Voor het eerst in de christelijke geschiedenis werden toen de door God gegeven machtsstructuren doorbroken. De zestiende en de zeventiende eeuw zijn ook de tijd van de ontdekkingen van nieuwe volkeren en nieuwe culturen. De traditionele waarden van de eigen cultuur zijn daardoor niet meer vanzelfsprekend. De natuurwetenschappen kennen een eigen ontwikkeling. De centrale positie van de aarde in het zonnestelsel is een ernstig twistpunt in het gesprek tussen geloof en wetenschap. De mens van deze tijd is gedwongen om te zoeken naar een nieuwe zekerheid waarop het denken over onze werkelijkheid kan worden gefundeerd.

Het nieuwe fundament voor zekerheid wordt gevonden in de mens zelf. Een goed voorbeeld  is de filosoof en wiskundige René Descartes. In zijn ‘Discours de la Methode’ zoekt hij zekerheid te verkrijgen door op een systematische manier te twijfelen aan alles waarover men zekerheid zou kunnen hebben. Dit gedachte-experiment van radicale twijfel laat slechts één zekerheid over: de twijfel zelf. Men kan niet twijfelen aan het feit dat men twijfelt.  Descartes beschouwt twijfelen als een vorm van denken. Dat voert hem tot de beroemde uitspraak: ‘Ik denk, dus ik ben’. (Cogito, erg sum). Vanuit de autonomie van het denkend subject verkrijgt Descartes vervolgens zekerheid over het bestaan van de gehele werkelijkheid en ook zekerheid over het bestaan van God.

Belangrijk is het te zien welke fundamentele omslag hier heeft plaats gevonden. De grondslag van de werkelijkheid is niet langer God, maar de denkende mens.

De autonomie van het menselijk subject heeft vele goede dingen voortgebracht, die we zeker niet zouden willen missen. We danken er de democratische regeringsvormen en aan het besef van de eigen individuele vrijheid en verantwoordelijkheid. De emancipatie van onderdrukte groeperingen, het recht op zelfontplooiing en het besef van de gelijkheid van alle mensen berust op  hetzelfde uitgangspunt.

Het idee van de autonomie heeft ook keerzijden. Wanneer de mens zelf de grondslag is geworden van de zekerheid, komt als vanzelf de vraag naar de plaats van God naar boven. Als we zelf de bron van onze zekerheid zijn, is het goed mogelijk om onze werkelijkheid zonder God te denken. Dat is dan ook wat precies in de geschiedenis is gebeurd. Voor de rationalisten van de achttiende eeuw is God een werkelijkheid geworden, die niet in onze werkelijkheid ingrijpt en met wie we geen rekening hoeven te houden. God is uit onze wereld verdwenen. Een volgende stap is het dat het ook niet meer nodig is om met God een relatie te onderhouden. God is dood. En sommige theologen hebben eraan toegevoegd: de kerk is zijn graf.

 

De fragmentering van onze samenleving

Godsdienstsociologen beschrijven soms op een fascinerende wijze hoe onze samenleving uiteen is gevallen is verschillende leefwerelden. Onze samenleving is versnipperd en bestaat uit compartimenten die elkaar nauwelijks raken.  Zo is er de leefwereld van de ambtenarij en van de registratie. We hebben daarmee van doen als we bijvoorbeeld een nieuw identiteitsbewijs willen hebben. Daarnaast is er de wereld van het werk en van de arbeid. We beginnen ’s morgens als forenzen aan de nieuwe dag door ons naar ons werk te begeven. En ’s avonds verlaten we deze wereld in omgekeerde richting.  Zo is er ook de wereld van de school en het onderwijs, de wereld van de sport, van het vermaak en het entertainment, en tenslotte ook nog de wereld van het eigen gezin. Dagelijks hopt de hedendaagse mens heen en weer tussen al deze verschillende compartimenten van zijn bestaan. En eigenlijk biedt geen van deze leefwerelden een thuis. Godsdienstsociologen spreken daarom over de hedendaagse mens als over ’the homeless mind’, de thuisloze mens.

Voor godsdienst en spiritualiteit heeft de gebrokenheid van onze werkelijkheid grote gevolgen. De overkoepelende functie van godsdienst die al deze werelden waarin wij verblijven met elkaar verbond, bestaat niet meer. Godsdienst geeft geen zinvol verband meer aan al die werelden die we dagelijks bezoeken. Het rooms-katholieke mijnwerkersdorp waarin ik ben opgegroeid en waarin alles nog met elkaar samenhing, bestaat niet meer. De hedendaagse mens is een zoeker geworden, een thuisloze in de vele werelden die hij dagelijks betreedt.

Ook godsdienst en spiritualiteit zelf zijn afzonderlijke werelden geworden. Het staat je vrij om er wel of niet aan deel te nemen. Godsdienst maakt geen deel meer uit van het openbare leven. Sommigen gaan mensen zelfs zover dat ze menen dat godsdienstige symbolen uit het openbare leven dienen te verdwijnen. Godsdienst is een privézaak, die pas achter de voordeur begint. Men spreekt over de privatisering van de godsdienst.

Een ander gevolg is het verlies van het besef van traditie. Het besef dat we in een godsdienstige en culturele traditie staan en dat die traditie voor een belangrijk deel onze normen en waarden bepaalt, is aan het verdwijnen. De kennis van de christelijke traditie neemt zienderogen af. De kennis van de Bijbelse verhalen wordt steeds geringer. Grote delen van onze literatuur en onze kunstgeschiedenis zijn onverstaanbaar geworden, omdat de verhalen die er aan ten grondslag liggen niet meer bekend zijn.

 

De reductie tot rationaliteit, effectiviteit en maakbaarheid

Belangrijke waarden in onze samenleving zijn rationaliteit, effectiviteit en maakbaarheid.

Rationaliteit betekent dat besluitvorming gebaseerd moet zijn op conclusies volgens de regels van objectieve wetenschappelijke logica. In feite wordt hiermee een achterhaald negentiende-eeuws wetenschapsmodel gehanteerd. Iedereen weet dat bij objectieve bestudering de vooronderstellingen en ideeën van het bestuderend subject buiten het onderzoek gehouden moeten worden. Maar in feite is dit onmogelijk. Wanneer we onze werkelijkheid bestuderen, geldt dat we ook zelf van die werkelijkheid deel uitmaken. De affecten en belangen van de onderzoeker spelen altijd een rol bij het onderzoek. Zelfs natuurwetenschappers geven dat momenteel toe. Des temeer geldt dit voor interpretatiewetenschappen. Tegenover politieke besluiten, genomen op basis van wetenschappelijk onderzoek, kan men niet wantrouwend genoeg zijn. Al te vaak spelen economische belangen een rol.

Ik meen dat het bestaansrecht van enkel de kennis die is gebaseerd op de ratio,  een reductie is. Uiteraard moeten we onze verstandelijke vermogens niet uitschakelen. Maar geloof en spiritualiteit zijn ook geworteld in andere kenvermogens: in de liefde en in de verwondering. Liefde en verwondering maken kenbaar wat via logische deductie niet altijd zichtbaar wordt. Liefde en verwondering brengen diepte en warmte in ons bestaan, waar rationaliteit de neiging heeft de werkelijkheid te reduceren tot een ééndimensionale kilheid.

Hetzelfde geldt voor het primaat van de nuttigheid. Wie goed kijkt, kan zien dat in veel hedendaagse besluitvorming de waarden van vooruitgang en nut een belangrijke rol spelen. Maar veel mensen voelen aan dat deze waarden niet altijd sporen met christelijke en religieuze waarden als medemenselijkheid, naastenliefde en mededogen. Misschien mag ik u hier herinneren aan de beroemde uitspraak van de joodse filosoof Martin Buber: ‘Succes is geen godsnaam’. En bij de redenen waarom u van uw geliefden houdt, speelt nuttigheid waarschijnlijk een zeer geringe rol.

Ook de idee dat alles maakbaar is, is niet steeds in overeenstemming met religieuze en godsdienstige normen en waarden. Nog niet zo lang geleden was er een nieuwsitem dat het wetenschappers gelukt was om uit stamcellen muizenembryo’s te kweken. Deze stap heeft belangrijke gevolgen voor de mogelijkheden in de voortplanting en voor de ontwikkeling van medicijnen. De interviewer vroeg door naar de mogelijkheden bij mensen. ‘Van muis naar mens is maar een kleine stap,’ was het antwoord. De idee dat we ook alles gaan doen wat we kunnen doen, riep bij mij toch enkele ethische kriebels op. Het roept vragen op waarop ik het antwoord niet weet. Het is niet vanzelfsprekend, dat alles moet wat kan.

 

Een benadering vanuit spiritualiteit

Bij de poging iets te zeggen over hoe secularisatie tegemoet te treden heb ik niet de pretentie sluitende antwoorden te geven. Vanuit mijn eigen geloof en mijn eigen spiritualiteit probeer ik om te gaan met de ontwikkelingen in onze maatschappij. Mijn benadering is gekleurd door een jarenlange omgang met Bijbelse teksten, met name die van het Nieuwe Testament.

Spiritualiteit vat ik allereerst op als leven in betrekking. Met het woord betrekking komt de ander en het andere in het vizier. Hier ligt een fundamentele kritiek op de basiswaarden die de inrichting van de moderne westerse maatschappij kenmerken. Grote delen van de hedendaagse samenleving zijn nog steeds gefundeerd op de zekerheid van het autonome subject. Leven in relatie betekent daartegenover dat de ander en het andere op mij inwerkt en zijn invloed op mij heeft. Mijn identiteit wordt mede gevormd door in betrekking te treden. De ander heeft invloed op mij en op wie ik ben. In de relatie schenken de partners elkaar hun identiteit. Wie ik ben, is de genadegave die ik van de ander mag ontvangen.

Leven in betrekking is ook leven in relatie met een andere, mij overstijgende werkelijkheid. Ik kan niet over de ander beschikken, of hem naar mijn hand zetten. Dat geldt des temeer waar spiritualiteit betekent leven in betrekking tot een transcendente werkelijkheid die al ons menselijk bevattingsvermogen principieel te boven gaat. Het geheim van alle leven dat wij God noemen, onttrekt zich aan alle pogingen het te bevatten en erover te beschikken. Tegelijk echter omvat het mij en vormt het mij. Leven in relatie tot God is leven in relatie tot een alles overstijgende werkelijkheid, die zich tegelijk met mij engageert en mijn gehele leven doortrekt.

Deze opvatting van spiritualiteit is nooit vrijblijvend. Leven in betrekking betekent immers dat de ander in mijn wereld mag binnen komen en dat hij mij raakt, zodat ik, omgekeerd, met alle verschuldigde eerbied en respect, zijn wereld mag betreden.

Een prachtig voorbeeld hoe identiteit wordt gevonden in de betrekking, bieden de synoptische evangelies. Aan het begin de evangelies wordt verteld hoe Jezus wordt gedoopt in de Jordaan. Tijdens deze doop klinkt een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn zoon.’ De identiteit van Jezus als zoon van God is geworteld in de liefde van God voor zijn zoon: ‘Jij bent mijn zoon van wie ik hou.’ Dit liefdesaanbod van God krijgt een antwoord in het gebed van Jezus in Getsemane: ‘Abba, vader, U kunt alles. Neem deze beker van mij weg. Maar niet wat ik wil, maar U wilt.’ Het liefdesaanbod van God dat Jezus zijn identiteit heeft gegeven, krijgt een antwoord in de liefdesovergave van Jezus aan God. Zoon geworden spreekt hij God aan als Abba, vader.

Spiritualiteit wordt vaak gelijk gesteld met wellness. Onze werkelijkheid is echter een gebroken werkelijkheid. Ons geluk wordt soms stuk gebroken door ziekte, dood, crisis, onrecht en machteloosheid. Soms is het alsof God zich terug getrokken heeft van onze wereld, dat Hij in mijn bestaan afwezig is. Vele grote spiritualiteiten zijn ontstaan in de confrontatie met het lijden dat zich in ons bestaan voordoet, of in de confrontatie met onrecht dat mensen elkaar aandoen. Ook de ervaring van Gods afwezigheid kan in de relatie met God worden uitgedrukt. “God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” is een gebed dat ín het uitspreken van de klacht een logische paradox is. Het aanspreken van God veronderstelt immers zijn aanwezigheid. Toch is de duisternis alleen het enige gezelschap van de bidder. God wordt aangesproken, terwijl de duisternis blijft.  Bidders leggen hun nood aan God voor. Ze doen dit in allerlei toonaarden. Ze roepen, klagen en jammeren. Een enkele keer beschuldigen ze zelfs God dat Hij hen ten onrechte in de steek heeft gelaten. Maar steeds is er ook dat de andersheid van God wordt aanvaard, dat we God niet in de kaart kunnen kijken en dat we Hem niet voor ons karretje kunnen spannen. Ook in onze nood kunnen we niet over God beschikken en Hem niet voorschrijven hoe Hij moet handelen.

We spreken over het geheim ven God. Dat is niet eenvoudig. Onze gewone, conceptualiserende en definiërende taal is niet geschikt. Het woordloze geheim ontsnapt immers steeds aan onze woorden, en het onuitspreekbare is te groot voor wat we zeggen. Toch kan taal ons, als we bereid zijn om niet alleen naar, maar ook in en achter de woorden te luisteren, invoeren in het geheim dat ons allen draagt. Wanneer we de poëzie in de woorden horen, wanneer we de schoonheid zien in de schepping, en het gelaat van God herkennen in het gelaat van de mens die naast ons staat, mogen we God aanwezig weten in ons bestaan. Het is een weten dat ons gewone kennen te boven gaat. Het is het weten van de liefde. Het is immers de liefde zelf die ons leert de aanwezigheid van Gods  geheim te ontdekken en te verstaan.

 

Ik sluit mijn voordracht af met u allen te feliciteren met het vijftigjarig bestaan van de Sint Jozefkerk. Proficiat.

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Tekst tgv Symposium Geloven Gaat Door ” door Ds. Henk Spoelstra

Henk Spoelstra,

predikant van de Paaskerk in Oss

 

Kerken zoeken elkaar

 

Het is mij een eer om in uw midden te zijn vanmiddag. In een seculiere maatschappij zoeken kerken elkaar op. Dat is het thema dat ik hier aan mag snijden. Wat ik van dat thema vind is sterk gekleurd door mijn levensloop, zo realiseerde ik me al denkend. Die levensloop doet dan ook volop mee in dit verhaal en maakt naar ik hoop mijn positie duidelijker.

 

Ik groeide op in een domineesgezin en raakte vroeg vertrouwd met kerk en geloof, de Bijbelse verhalen en met ‘kerkenwerk’. Allerlei lijnen van kerk en christendom liepen door ons gezin heen, zonder overigens enige dwang en zonder veel dogmatisme. Ik bewaar er warme en goede herinneringen aan. In 1968, ik was twaalf jaar, verhuisden we naar Roermond, de bisschopsstad. Met bloeiend jeugd- en jongerenwerk waar ik van harte aan mee ging doen. Met jongerenvieringen, ook samen met katholieke jongerengroepen. Het was in mijn herinnering ontspannen en plezierig, er was veel oecumenisch enthousiasme. Ook bij de volwassenen. Maar toen werd het 1972 en ging er met bisschop Gijsen een andere wind waaien. Wij mochten met onze vieringen geen gebruik meer maken van katholieke kerken en al helemaal niet meer vieren met brood en wijn. Een gesprek met de bisschop deed hem niet van mening veranderen. Wij waren wellicht naïef. Maar toch ook hoopvol. En enthousiast. Maar met forse tegenwind bleef er toch niet zo heel veel meer overeind na verloop van tijd, een enkele ontmoeting daargelaten. Het geheel stond onder spanning. Meer en meer ging iedereen weer zijn eigen weg, en ik ging studeren in Amsterdam in 1975.

 

Wat hield ik aan die jaren over? Achteraf zeg ik: de overtuiging dat het goed is om elkaar te ontmoeten, omdat “wij allen één zijn”,  met woorden uit het hogepriesterlijk gebed van Jezus uit Johannes 17. Ik heb in die jaren een grote verbondenheid ervaren, ook in geloofsovertuiging, tussen katholieken en protestanten. Die is nooit meer verdwenen, ondanks de bisschoppelijke tegenwind van dat moment. De schaduw die over de oecumene viel heeft dat besef van verbondenheid ook niet kunnen wegnemen. En dat besef van verbondenheid ontstond door de ontmoeting en het samen vieren en het samen doen.

 

Later vond ik diezelfde verbondenheid terug bij de Franciscanen toen ik in Amsterdam, waar ik na mijn studie begon als predikant, reisleider werd bij de (Franciscaanse) Stichting Cultura, die in die tijd, de jaren tachtig, nog oecumenereizen organiseerde naar –in mijn geval- Florence, Assisi en Ravenna. Reizen, geleid door een priester, en een predikant. Een groot besef van verbondenheid, een gedeeld geloof, en een voor mij treffende en ontroerende eenvoud en bescheidenheid, maar ook hartelijkheid  bij de Franciscaanse pater met wie ik die reizen mocht leiden. Ik weet van alle dogmatische en kerkelijke verschillen en geschillen die de loop van de eeuwen bepaalden, en ik kan me heus wel protestant voelen van tijd tot tijd, maar dat besef van eenheid en verbondenheid in geloofsovertuiging (kinderen van één Vader) dat heeft toch wel diep wortel geschoten in mijn leven. Als ik het mij goed herinner zijn die woorden van Jezus ‘opdat zij allen één zijn” ook het Leitmotiv geweest van die oecumenereizen van Culturra destijds. Ze zijn er niet meer, en de Stichting Cultura ging ter ziele. Niet alleen vanwege de tegenwind die de oecumene kende, maar ook omdat dergelijke cultuurreizen het af gingen leggen tegen het massatoerisme van de All Inclusives naar Turkije en elders.

 

Wat betekent dat voor nu? In een maatschappij die steeds verder en diepgaander seculariseert? Waarin de grote en,  zeggen we dan ‘institutionele’ kerken steeds kleiner worden, marginaler, althans in dit deel van de wereld?

 

Dat besef van verbondenheid is ontstaan door contact en ontmoeting. Die is en blijft dan in mijn besef hard nodig! Dat spreekt niet meer zo vanzelf na de laatste decennia met tegenwind wat de oecumene aangaat. Maar bovendien ook niet vanwege een groot tijdsbeslag dat gelegd wordt op de kerken en de kerkbesturen waar het gaat om de toekomst. Een overlevingsmodus in de storm die de secularisatie is. Ik lees over kerksluitingen –een vriend van mijn middelbare school, het bisschoppelijk college werd diaken in het bisdom Breda en werd (mee) verantwoordelijk voor de sluiting van kerken. Hij vroeg even geleden aan zijn bisschop of hij weer naar een parochie mocht want tien jaar van kerksluitingen hadden hem toch wel mismoedig gemaakt. En in protestantse kring is het niet veel anders, al doen wij wel stoer met ons project ‘Kerk 2025, back to basics’, in goed hedendaags Nederlands. Maar als je van 74 classes (regionale verbanden) terug gaat naar 11, dan is dat een enorme schaalvergroting, veroorzaakt door het gebrek aan mensen, vrijwilligers, die deze regionale verbanden vorm willen en kunnen geven. Een enorme bezuiniging/verschraling. De afgelopen jaren halveerde het personeelsbestand al van ons Landelijk Dienstencentrum in Utrecht.

 

Contact en ontmoeting. Misschien nog wel harder nodig dan in de zeven ‘vette jaren’ van de oecumene om met Genesis te spreken. Om geloof te delen, elkaar te steunen in de vragen van deze tijd die op ons allemaal afkomen. Om elkaar te bemoedigen met het gedeelde evangelie. Met een variatie op dit thema: ook, juist in een seculiere maatschappij zoeken kerken elkaar.

 

Maar ik ben in de loop der jaren ook pragmatisch geworden. Doe wat kan, maar overvraag elkaar niet. In een vorige gemeente had ik een collega die te hoop liep tegen het verbod van de nieuwe plaatselijke pastoor op diensten met intercommunie. Ik begreep zijn teleurstelling heel goed –hij deelde die met mij en met vele katholieken, na meer dan dertig jaar (!) intercommunie. Maar ik begreep niet zijn voortdurende gemier om dat toch weer voor elkaar te krijgen, en er in elk oecumenisch overleg op terug te komen en dan ook andere vieringen organiseren waar brood en wijn gedeeld moesten worden al heette het dan ‘agape’  in plaats van eucharistie of avondmaal. Hou er mee op, dacht ik. Je dient er niemand mee, alleen je eigen gelijk –en daar gaat het in de kerk dacht ik juist niet om. Je breekt eerder af dan je opbouwt. En omzien in teleurstelling  en wrok helpt ook niet verder. Doe wat kan, en dat is nog heel veel. Ik heb al weer even geleden opgetrokken aan een boekje van kardinaal Walter Kasper, emeritus voorzitter van de Pauselijke Raad voor de Eenheid (als ik het goed zeg, dat luistert nauw in dit gezelschap). Ik ben de titel van de brochure/het boekje kwijt. Maar het ging erover dat je als kerken en als christenen alle ruimte hebt om samen te bidden, om samen te luisteren naar de Schrift, om samen van gedachten te wisselen over thema’s uit geloof en samenleving. En hij brak daar ook een lans voor! Kortom: er is en blijft ruimte voor ontmoeting, ook zonder de zaken die zo gevoelig liggen. Laten we ervoor zorgen dat die niet de oorzaak worden van een breuk in de contacten. Elkaar dus blijven ontmoeten.

 

Zo hebben we dat de afgelopen jaren ook hier in Oss geprobeerd. En van harte! In vespers, ook met (en in!) de Grote Kerk, zo hebben we een mooi gezamenlijk programma gehad rond Luther –ik denk er met dankbaarheid aan terug, in oecumenische diensten op de zondagmorgen. Er lag een oud en langlopend contact met de Heilig Hartkerk vanuit de Paaskerk, maar toen dat moeilijk werd is het contact met deze kerk tot stand gekomen, al bleven er persoonlijke contacten met de Heilig Hartkerk gelukkig. En we hebben als Paaskerk weer iets van een nieuw elan ervaren in het contact met deze parochie. Verrijkend en stimulerend. Ook vanwege de hartelijkheid die we ervaren. De reacties zijn en blijven enthousiast en ook zelf ervaar ik de kracht van de Geest in onze gezamenlijke vieringen. En dan heb ik het nog niet over Het Osse Inloophuis dat al vele jaren een plaats is van ontmoeting voor wie wil, binnen en buiten de kerk, maar gedragen door de gezamenlijke kerken.

 

Kerken zoeken elkaar dus op in wat zij samen kunnen doen, vieren en beleven. Ook nu nog, anno 2018. En die seculiere maatschappij die zo vaak negatief wordt bejegend –en daar is heel wat voor te zeggen als je op zondagmorgen nogal wat lege kerkbanken ziet… die seculiere maatschappij heeft wat mij betreft ook hele positieve kanten, ook voor de oecumene. Ik merk in mijn eigen kerk dat alle triomfalisme verdwenen is. Het triomfalisme binnen mijn protestantse kerk waarin men zich superieur achtte aan het rooms-katholicisme, daar waren wij voorbij immers, met het zuivere evangelie. Mijn kerk (synodaal-gereformeerd) die zich superieur achtte aan de Nederlands Hervormde Kerk, want wij hadden een nóg zuiverder en onversneden evangelie, en geen vrijzinnigheid. De grote kerken die bijvoorbeeld de evangelische groepen neer plachtten te zetten als ‘sektarisch’. Ik kom het niet meer of in elk geval steeds minder tegen in Brabant en in de contacten die ik heb. Wij zingen een toontje lager. En dat is goed, want triomfalisme past ons kerk en als christen niet. Vanuit wat ik een nieuwe bescheidenheid noem komt er meer ruimte voor het contact met de ander. Voor een werkelijke ontmoeting. Ik duid in dat opzicht de secularisatie positief. Ik meen bij jongere generaties een neutrale houding te zien ten aanzien van kerk en geloof. Zeg maar wat het met je doet, dan zie ik wel of ik het ook wat vind. Geen aversie die ik zo lang geproefd heb. Toen ik begon in Amsterdam kreeg ik soms te horen: komt dat nog steeds voor, mensen die dominee worden? Het geloof, is dat niet achterhaald? Passé? Nee. Ik reken mij niet rijk, maar meen wel iets van een kentering te zien.

 

Geloven gaat door! God laat niet los wat Zijn hand begon. Laten wij elkaar blijven opzoeken, ook in een seculiere wereld. Verbinding zoeken, tussen hemel en aarde, op aarde onderling!

 

Tot slot: mijn kerkenraad vroeg mij met klem om u namens de Protestantse Gemeente Oss en omstreken allerhartelijkst te feliciteren met dit jubileum. Ik doe dat met plezier. En met bloemen! En nog vele jaren…

 

Henk Spoelstra

Oss, 18 mei 2018

 

overweging van zondag 27 mei 2018 door p. Tom Buitendijk

Jaarlijks sta ik er verbaasd over dat de meeste eerste communicanten nog geen kruisteken kunnen maken. Is dat dan zo belangrijk dat ze dat dan al kennen?, vragen ouders dan.  Het duidt ergens op. Hier wordt een stukje katholieke traditie los gelaten.
In moderne kerken zijn geen wijwaterbakken meer om met wijwater een kruisteken te maken. Ter herinnering: ik ben een gedoopt mens.  Ook    onze  Sint Jozef kerk heeft geen wijwaterbak meer. Vijftig jaar geleden vond men dat  niet meer nodig. Ook hier wordt een katholieke traditie los gelaten. Vroeger had iedereen een wijwaterbakje op zijn slaapkamer. Nu niet meer. Hebt u er nog een? Ik eerlijk gezegd niet .
Het kruisteken is op vele manieren een symbool. Als ik me bekruis – en als ik dat dan bewust doe, want vliegen weg slaan is geen kruisteken maken, zei mijn moeder,  –  dan stel ik me in Gods Tegenwoordigheid.
Ik stel mij onder de hoede van God die ik noem: Vader, Zoon en Geest. In deze naam ben ik gedoopt, ondergedompeld en tot nieuw mens opgestaan.
Bidden in het openbaar is ook voor ons als gelovige mensen steeds moeilijker geworden. Een kruis slaan in een restaurant doen nog maar heel weinig mensen. Een  bestuur van een vereniging had een etentje in een restaurant. De voorzitter vroeg om een moment stilte voor het eten. Toen het hem lang genoeg geduurd had, zei hij:“ Bent u klaar met bidden, mevrouw Jansen ?”
Een kruisteken maken – met of zonder wijwater – betekent  ons doopsel in herinnering brengen.  Wij zijn – op een woord van Jezus – gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en  de Heilige Geest.  En als gedoopten worden we geleerd de geboden te onderhouden die Jezus ons bevolen heeft.  Dan zal Hij met ons zijn alle dagen tot aan de voleinding der wereld.  Wie een kruisteken maakt zoekt verbinding met God de Vader; belijdt te willen leven in Jezus’ Geest; getuigt dat Gods Geest in hem woont en werkzaam is.   Je kunt het korter zeggen: wie een kruisteken maakt laat zien dat hij kind van God wil zijn.
Een kruisteken symboliseert ook de wereldwijde betekenis van ons geloof.  Noord Zuid Oost West zijn de richtingen waarnaar wij ons uitstrekken. Wereldwijd.  Ook ons héle lichaam is erbij: ons hoofd en al onze verstandelijk vermogens, ons hart en al onze gevoelige vermogens, en al onze daadkracht in armen en handen. Het gaat om de héle mens die kind van God is.
Een traditie als kruistekens maken voor en na het eten, bij slapen gaan en opstaan kun je niet opleggen en min of meer dwingend invoeren. Toch vind ik dat ouders het kruisteken aan hun kinderen moeten leren.  De traditie is te kostbaar om zomaar verloren te laten gaan.
De samenleving van vandaag heeft bewuste en getuigende christenen nodig.  Een samenleving die van God los is, is ten dode gedoemd. Miljoenen mensen zijn dagelijks slachtoffer van communistische  en kapitalistische  denk – en gedragswijzen. Hun systeem is gebouwd op concurrentie en niet op de liefde van God die er voor alle mensen wil zijn.
De wisseling van de zorgzame samenleving naar de participatie maatschappij brengt  onnodig veel leed mee. Solidariteit – verbondenheid wordt in geruild  voor ‘ieder voor zich’, voor solitair – zijn.  In het gelaat van de ander zien we  God niet meer oplichten. Ik had honger .. ik was ziek … ik was vreemdeling ….
Een samenléving zonder God is geen sàmenleving; het is het samen gaan van elkaar bestrijdende groeperingen: arm tegen rijk; kanslozen tegen goed opgeleiden; jong en gezond tegenover oud en verzorgingsbehoeftig; bekende Nederlanders tegenover mensen die afgeschreven zijn.
Het kruisteken laat zien dat wij God-gelovige mensen zijn. Ook al is ons geloof vaak een zoekend geloven.  We weten niet zo goed wie God voor ons is.  In het evangelie staat de troostende zin: “Toen de apostelen de Verrezen Heer zagen wierpen zij zich in aanbidding terneer; sommigen echter twijfelden”. Geloven en twijfelen sluiten elkaar niet uit
Spreken over God als Vader Zoon en Heilige Geest blijft altijd moeilijk.
In de filosofie en in de theologie is men voor dit samengaan van deze drie  Godsnamen het woord: Drie –eenheid gaan gebruiken. Het is een zelf gesmeed woord om uit te drukken dat Vader Zoon en Geest even goddelijk zijn.  Drie–eenheid is geen Bijbels woord. Ook al is het geen Bijbels woord,  daarom is het in onze katholieke traditie wel een zeer kostbaar woord.  Het geeft aan dat God zich op drievoudige wijze met ons verbindt. Als Schepper en Heer van het Heelal gaat God de Vader alles te boven.  Als mens geworden Woord van God is Jezus sprekend de Vader. Deze Jezus is het menselijke gezicht van God naar ons toe. Hij is onze vriend, herder, leidsman.
Als kracht tot liefde en verbondenheid werkt Zijn Geest in alle mensen. De Geest die ons vervult maakt ons tot mensen die Jezus navolgen en zo  de wil van de Vader doen. Je zou kunnen zeggen: God boven ons, God in ons, God met ons. Als je een kruisteken maakt , wijs  je op je hoofd: God gaat ons te boven; Als je je hart aanraakt: zijn Geest is in ons werkzaam. Als je je handen spreidt: samen met Jezus wil ik concreet daden van liefde doen. Als katholieke christenen kunnen we er voor zorgen dat dit geloofsgebaar levende traditie blijft door het onze kinderen en kleinkinderen bewust door te geven.

Overweging van Pinksteren 2018 door p. Tom Buitendijk

 

Inleiding

Van harte welkom op deze Pinksterdag. Wij vieren dat  Maria, de groep apostelen en andere leerlingen in vuur en vlam werden gezet door de Heilige Geest . In wind en vuur overkwam Hij hen. Zou die Geestkracht zijn uitgewaaid? Pessimistische mensen denken van wel, maar mensen met hoop en vertrouwen zien nog steeds tekenen dat de Geest Gods werkzaam is. Misschien geen laaiend vuur maar wel een ondergrond vuurtje dat smeult. Als wij ons hart voor die geest openen zal Hij ook ons kunnen herscheppen. Bezinnen we ons een ogenblik over de vraag of wij de Geest  wel toelaten.  

 

Overweging

Ik weet niet of u het ook wel eens hoort, maar er zijn twee godsdienstige genootschappen die via de radio reclame maken. Het Apostolische Genootschap somt een aantal belangrijke levensvragen op en zegt dan: het antwoord ligt in jezelf. Een remonstrants predikant zegt; Pinksteren is voor mij vrijheid, verdraagzaamheid,  verbondenheid met elkaar. En eindigt dan met: Geloof begint bij jezelf. Beide gemeenschappen hebben een optimistische mensvisie.  Het zijn hele sympathieke clubs.  Maar het puzzelt mij dat ze zo’n nadruk leggen op “ je zelf”. Ze reageren daarmee op kerken die een sterke leertraditie hebben zoals onze katholieke kerk.  Een kerk met leergezag zien ze helemaal niet zitten. Ze willen zelf wel bepalen wat ze geloven. Mijn vraag is dan : zou er ooit wel christelijk geloof en een christelijke kerk ontstaan zijn als de apostelen de antwoorden op hun vragen in zichzelf gezocht hadden? Als ze waren stil staan bij hun eigen wankel, aarzelend en twijfelend geloof? 
Jezus belooft ons een Helper te zenden.
De Geest die ons bijstaat om onze vragen te verhelderen en om antwoorden te vinden.  De Geest die ons meer en meer bewust maakt van ons gelovige inzichten en van ons vertrouwen in God.   Maar die Geest brengt ook wat mee. Hij roept ons telkens het leven van Jezus in herinnering.
Ten eerste: zijn boodschap dat Gods liefde uitgaat naar alle mensen;
ten tweede: dat de diepte van Gods liefde zichtbaar geworden is in Jezus’ dood aan het kruis en in zijn verrijzenis;
ten derde: dat ieder die zich durft te hechten aan Jezus deelt in het nieuwe leven dat duurzaam, sterk en eeuwig is. Mensen leven als waarachtige mensen als zij  kinderen naar Gods hart zijn; als in hun leven de liefde zichtbaar wordt die Jezus ons heeft voorgeleefd. Als wij dat “zelf” van ons laten raken door de Geest dan stijgen we boven onszelf uit, dan worden wij nieuwe en vernieuwende mensen. Het is de Geest van Pinksteren die de liefde van Jezus voor God en mens instort in ons hart en ons tot mensen van God maakt.  Over die Geest kunnen we niet beschikken; die Geest kun je ook niet als een soort bezit hebben; die Geest wordt ons voortdurend geschonken wanneer we ons met vallen en opstaan hechten aan Jezus.
Afgelopen vrijdag was er onze kerk een boeiend symposium: “geloven gaat door”.  Deze titel is al een uitspraak van vertrouwen. Het is het geloof dat God zijn kerk niet in de steek laat. Het is het geloof dat Gods Geest waait en mensen overkomt  in dit gebouw dat nu vijftig jaar bestaat.  Het is het geloof dat deze kerk –dit gebouw –  een plek is van ontmoeting van  God met mensen  en van ontmoetingen van mens tot mens. Als ergens sprake is van liefde en vriendschap waar God bij is, dan wordt dat toch concreet in een geloofsgemeenschap. In onze vieringen, in onze dienst aan de samenleving, in onze betrokkenheid bij jonge kerken in de Derde Wereld. Het is het geloof dat  onze gemeenschap een teken is  van Gods liefde voor mensen in de samenleving van vandaag. Daarom is een vitale kerkgemeenschap in een aansprekend en gastvrij  kerkgebouw belangrijk voor de stad.  Durven wij als kerkmensen deze uitdaging vandaag aan de dag nog aan?
In de titel  “geloven gaat door”  klink ook wel enige twijfel. Je kunt er ook een vraagteken achter zetten. De kerkbetrokkenheid van onze parochianen schommelt rond de tien procent. De onverschilligheid voor geloof en kerk bij jongeren is groot. Je ziet ‘s zondags alleen maar grijze of kalende koppies. Op enkele uitzonderingen na. Het lijkt soms wel of er deken van moedeloosheid over het kerkelijk leven ligt. Is vandaag samen kerk zijn een onbegonnen werk dat toch tot mislukken gedoemd is?
Met Pinksteren vieren we niet alleen een spectaculaire gebeurtenis van vuur  en wind over de apostelen toen.  We vieren dat diezelfde Geest ook nu werkzaam is. We vieren de geboorte van de kerk toen; we vieren ook de tot nu toe voortgaande beweging van de liefde zoals Jezus ons heeft voorgeleefd. We vieren dat de apostelen de boodschap van Jezus  gaan uitdragen ; we vieren ook dat Jezus voorbeeld nog steeds doorwerkt in het doen en laten van mensen.
Toen de apostelen als een bang groepje bijeen zaten heeft de Pinkstergeest de ramen en deuren opengezet en hen naar buiten toe gejaagd.  Ook vandaag bemoedigt de Geest moedeloos geworden mensen om over de kerkmuren heen de wereld in te kijken en te zien hoeveel sporen van liefde, geestkracht, moed en vertrouwen er in de samenleving zijn.  Er is heel veel christelijks te vinden dat niet kerks is.
Als je ook gelovig christen kunt zijn in de wereld, dan heb je de kerk niet nodig, zeggen veel mensen vandaag. Of ook: we gaan wel niet naar de kerk, maar we geloven wel.   Maar ergens heb je het christen-zijn toch geleerd; ergens heb je toch het verhaal van Jezus gehoord; ergens toch heb je woorden als naastenliefde, vergeving, barmhartigheid opgepakt als belangrijk voor jouw leven. Pinksteren kent een dubbele beweging: binnenkerkelijke mensen worden uitgedaagd sporen van God te zoeken in de samenleving. Onze kinderen die niet meer naar de kerk gaan beleven vaak toch de christelijke waarden. Veel mensen in het vrijwilligerswerk in sport, cultuur en welzijn zijn van huis uit christen.   Met die mensen moeten wij als kerk mensen verbondenheid zoeken. Andersom: mensen die in de samenleving en aan de randen van de kerk staan worden uitgedaagd de ruimte van de kerk binnen te treden. De kerk is de ruimte waarin Gods Woord verkondigd wordt. Waarin  wij in de Eucharistie de maaltijd vieren van alle volkeren. Waarin wij door het doopsel burgers zijn geworden van het komende Koninkrijk, de droom van een samenleving waarin het goed leven is voor alle mensen. De kerk is een gave van Gods Geest aan de samenleving. De kerk is de beweging van Jezus in de samenleving van vandaag.
De kerk leert ons het verhaal van Jezus kennen die ons uitnodigt met hem mee te gaan doen.  Om die uitnodiging te horen blijven we de Helper nodig hebben die Jezus ons geeft.  In de kracht van die Heilige Geest worden wij waarachtige mensen. Komen wij tot ons diepste zelf. Worden wij mensen van God.  

Zalig Pinksterfeest.

  

Voorbede

Pastor:

U schenkt uw gaven zevenvoud. Hoor, God, ons zevenvoudig gebed en komt met uw Geest over ons.

 

Lector

Wij bidden voor onze geloofsgemeenschap die vijftig jaar samenkomt in dit kerkgebouw. Dat wij hier inspiratie kunnen vinden voor het leven van alledag. Dat wij hier rust en geborgenheid vinden als het leven moeilijk is.   Kaars 1

 

Lector

Wij bidden voor alle mensen die zich als vrijwilliger in zetten om deze gemeenschap vitaal te houden. Dat wij door onze activiteiten elkaar goed doen. Dat wij het oog gericht houden op het welzijn van onze stad. Laat ons zingen. Kaars 2

 

Lector

Wij bidden voor alle kerken in onze stad. Dat wij elkaar vinden en elkaar kunnen inspireren.  Dat wij over kerkmuren heen stappen om elkaar als zussen en broers in Christus te ontmoeten. Kaars 3

 

Lector

Wij bidden voor de jonge kerken in de Afrika, Azië en Latijns Amerika. Namens ons werken daar vele mensen als missionaris en ontwikkelingswerker.  Dat wij met ons gebed en onze financiële steun deze mensen bijstaan. Laat ons zingen. Kaars 4

 

Lector

Wij bidden voor Oosters Orthodoxe kerken. Vooral voor de kerken in het Midden-Oosten. Dat zij staande blijven in deze tijd van vervolging, oorlog en rampspoed. Dat de Geest die de Helper is, hen kracht en moed geeft.  Kaars 5

 

Lector

Wij bidden voor  de vereenzaamden, de zieken en de bedroefden in onze kringen. Dat onze aandacht voor hen genezend zal zijn. Voor de mensen die zich mislukt en miskend voelen. Dat wij hen de hand reiken en hen op de goede weg brengen. Laat ons zingen. Kaars 6

 

Lector

Wij bidden voor ons zelf. Dat wij met vreugde christen zijn. Dat wij hier in deze kerk elkaar ontmoeten als tochtgenoten naar Gos Koninkrijk. Dat wij voor elkaar begeesterende mensen mogen zijn in de kracht van de Heiige Geest.  kaars 7

 

Pastor

God u zendt uw Geest uit over heel de schepping en maakt alles nieuw. Wees onze Helper op onze weg Jezus achterna. Laat ons steeds vuriger bidden en zingen om uw Geest,

Laat ons zingen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Overweging van zondag 13 mei 2018 door p. Tom Buitendijk

Van harte welkom in deze viering tussen Hemelvaart en Pinksteren. Jezus is ons voorgegaan naar de hemel, naar God Zijn vader toe; de Geest moet nog komen. Deze zondag zijn we in zekere zin verweesd. Wat weeskinderen doen, is stil staan bij de woorden van hun ouders. Het is vandaag ook Moederdag. Dat is geen kerkelijke feestdag. Maar met Maria de Moeder van Jezus, kunnen wij stil staan bij de woorden die Jezus ons heeft nagelaten. Voordat we dit gaan doen willen we eerst zingen bidden om ontferming en God loven en danken.

Overweging

In de eerste lezing uit de Handelingen van de apostelen horen we een bijzondere gebeurtenis. Er is een gemeenschap van honderd en twintig mensen bijeen. 10 x 12.

Symbolische getallen. Tien kan duiden op de Tien Woorden die ons als richtingwijzers naar het Beloofde Land gegeven zijn. Wij zeggen gewoonlijk de tien geboden. Maar daarmee zit je al spoedig in de sfeer van niet moeten en mogen, de sfeer van de moraal. Niet meer zoals bedoeld is, in de sfeer van Belofte.

Als je die weg gaat, kom je uit bij het rijk Gods. Aan het ene volk van de twaalf stammen is het Rijk Gods beloofd.

De twaalf apostelen zijn de opvolgers van de twaalf stammen.

Zij zijn de grondleggers van het nieuwe volk van God – de gemeenschap van de kerk.  Door het uitvallen van Judas is de gemeenschap beschadigd.  De kerk – hoezeer ook een instelling van Godswege met allerlei menselijke kanten – kan niet apostolisch genoemd worden als er geen twaalf grondleggers zijn.   Het getuigenis van Jezus als de verrezen heer krijgt zijn volle kracht als het twaalftal compleet is.

Petrus neemt de leiding, stelt het probleem aan de orde. Vanuit de gemeenschap komen er twee kandidaten naar voren.  Biddend om de Geest gaan zijn over tot loting. Mattias wordt gekozen en vult het twaalftal apostelen aan.  Zo wordt de kerk gereed gemaakt om haar zending in de wereld te beginnen.

Die zending is allereerst: gemeenschap te zijn die leeft vanuit de Belofte en naar die Belofte toe.  Wat ons beloofd is, is niet dat we als we braaf leven in de hemel zullen komen. Ons is het Rijk Gods beloofd waarin de hemel op aarde doorbreekt en onze gemeenschap nieuw maakt en tot haar wezen brengt.

Het wezen – het kenmerk van het Rijk Gods –  is de zusterschap en de broederschap van alle mensen.

In de evangelielezing biedt Jezus zich aan aan alle mensen om onze broeder te zijn en Hij  spoort ons aan God als Onze Vader of als onze Moeder te belijden.  God Vader of Moeder noemen is een beeldspraak waarin Jezus ons voorgaat.

God is geen onpersoonlijk “iets” dat als een hogere macht ergens in de lucht zweeft. Veel mensen noemen zich  “ietsisten” van er moet wel “iets” zijn. Maar “iets” is zo niets. Daar zit geen hart in. In ons christelijk geloof gaat het om een God die liefdevol en persoonlijk op ons betrokken is.

God is als een Vader die zijn kinderen in deze wereld bewaart voor het kwaad.

God is als een Vader die ons Jezus als broer gegeven heeft als Kind naar zijn hart, als de volmaakte mens, als voorbeeld hoe ieder van ons kan leven.

God brengt ons samen als familie die hecht en liefdevol met elkaar verbonden is.

Het is dure opdracht van de kerk om in deze wereld teken van zusterschap en broederschap te zijn.  Deze opdracht staat haaks op wat wij doorgaans van de samenleving maken. Onze samenleving noemt zich samenleving van tolerante mensen die elkaars eigenheid respecteren; waarin alle mensen gelijkwaardig behandeld dienen te worden; waarin wij zelf wel onze relaties bepalen.

Dat klinkt allemaal heel mooi. Maar het uitgangspunt van deze samenleving is in feite het individuele ikke.

Heel vaak bepalen we onze relaties helemaal niet.  Wij zijn  onverschillig voor wat een andere mens overkomt, meemaakt, te dragen krijgt.

De armen, de zieken, de vluchtelingen, de gehandicapten,. de vereenzaamden….. worden ze gezien?

Toch weten we uit het evangelie dat Jezus juist naar deze mensen ging… dat als wij God Onze Vader noemen, juist deze mensen onze zusters en broeders zijn……. dat zij niet zonder ons kunnen……..

In het evangelie  zien we het woordspel ‘in de wereld’ en ‘van de wereld’.

Het is de realiteit dat we leven in een wereld waaraan van alles mankeert. Jonge mensen vragen zich af of het verantwoord is kinderen te  willen hebben in deze wereld. Willen we vader en moeder worden?

Ik vind dat een tragische vraag.

We kunnen weigeren van deze wereld te zijn. We hoeven deze wereld die alleen maar van ikke uitgaat, niet toe te behoren. We zijn in de wereld. We kunnen er ook niet van af stappen. Maar we hoeven ons er ook niet aan over te geven.

Het evangelie dat de kerk uitdraagt is een uiterst kritische noot op onze maatschappij:

-doe niet klakkeloos mee met die wereld waarin mensen alleen maar zichzelf zoeken; –

leef in saamhorigheid en in verbondenheid als zussen en broers met elkaar.

Verander de wereld en begin bij jezelf : word een zusterlijk / broederlijk mens.  Alleen dan kan God Onze Vader zijn.

Jezus leerde ons het Onze Vader bidden. Vanuit zijn verbondenheid met God noemde Hem Vader.  Maar ook had Jezus het beeld van Moeder kunnen gebruiken.

In 1978 hadden we een paus van 33 dagen: Johannes Paulus I.  Hij heeft maar een paar toespraken gehouden.  En in een van die toespraken zei hij dat God ook onze Moeder is.  De kardinalen hebben deze woorden weg willen moffelen.  Ze vonden dat te modieus en niet bijbels.  Pastorale pausen krijgen wel vaker kritiek van kardinalen.

Ondanks de kardinalen heeft God in de bijbel soms ook een moederlijke kant.   “Zoals een kind rust aan de borst van zijn moeder,  zo rust mijn ziel in God”. Toegegeven die zinnen zijn zeldzaam.  Maar waarom zou je aan God geen moederlijke eigenschappen toekennen zoals aardse moeders die hebben.

Terecht worden op Moederdag de moeders geprezen en bedankt.

Er zijn dingen die moeders soms beter kunnen dan vaders.

Onvoorwaardelijke liefde  – verzoening en bemiddeling – begrip en aanvoelen.

Met de woorden van Jezus zoals die klinken in het evangelie:

moeders bewaren de eenheid ; moeders delen in de vreugde van de kinderen ; moeders wijden zich aan het gezin toe. Misschien nog het meest: moeders bidden en blijven bidden voor hun kinderen.

Moeders hebben toch iets van God weg en God iets van moeders.

Voorbede

Pastor         Laten wij bidden met onze Heer Jezus die ons naar de Vader is voorgegaan om de kracht van de Heilige Geest.

 

Lector:        Voor alle christenen waar ter wereld ook.    Dat alle mensen die God  als hun Vader belijden bereid zijn als zussen en broers met elkaar om te gaan.

s t i l t e

 

Lector:        Voor paus Franciscus die als een goede herder de eenheid in de kerk zoekt te bewaren. Dat  Hij kracht ontvangt apostel voor de kerk van vandaag te zijn.

s t i l t e  Laat ons  bidden.

 

Lector         :         voor de gezinnen in ons stad en in ons land. Dat mensen leren wat zusterschap en broederschap kan betekenen voor heel de samenleving.

s t i l t e

 

Lector:        voor mensen die lijden onder de onverschilligheid van  medemensen.    Dat zij eens gezien en gehoord worden. Dat  onze samenleving opnieuw leert wat onderlinge verbondenheid  betekent.

s t i l t e Laat ons  bidden.

 

Lector         Voor alle moeders: dat zij vreugde beleven aan hun kinderen;    dat zij hun kinderen helpen op te groeien tot gave mensen die hun plek in de samenleving kunnen vinden.

s t i l t e

 

Lector         Voor onze parochiegemeenschap:  voor de zieken : om genezende aandacht; voor de jarige koster en de andere jarigen : om geluk en gezondheid;  voor de intenties die leven in ons hart.

s t i l t e Laat ons  bidden.

 

Pastor        God die als een Moeder ons in eenheid bewaren wil, schenk ons de vreugde van de verbondenheid met u en met elkaar.

Door Christus onze

 

 

Overweging vasn zondag 17 mei 2018 door pastor Leon Teubner

Met de liefde die de Vader mij toedraagt,

heb ik jullie lief, zegt Jezus.

 

De Vader heeft Jezus lief.

En Jezus heeft ons lief

met de liefde van de Vader.

 

God is liefde en alle liefde komt van God,

zegt Johannes in zijn 1e brief.

Met die liefde, zegt Jezus tot ons, heb ik jullie lief.

 

We kunnen dit liefdesspel van God en Jezus met ons

vergelijken met een bron en een rivier.

 

De Vader is de Bron van alle liefde.

Jezus is als een rivier aangesloten op deze Bron.

Door te drinken aan deze Bron van liefde,

door de woorden van de Vader in de Schrift te overwegen,

wordt Hij één en al wat Hij drinkt: liefde.

 

En al drinkend aan deze Bron van alle liefde,

laat Hij die liefde door zich heen uitstromen naar ons.

Hij houdt de liefde van de Vader niet vast voor zichzelf alleen,

maar geeft haar onvoorwaardelijk en om-niet

aan alles en iedereen wat Hij op zijn weg tegenkomt.

 

Met de liefde die de Vader mij toedraagt,

heb ik jullie lief.

Blijf in mijn liefde.

 

Jezus geeft aan ons de opdracht om één te blijven

in die liefde van de Vader die Hij aan ons doorgeeft.

Blijf in mijn liefde, die de liefde van de Vader is.

Ja, die de Vader zèlf is.

 

Want God is liefde en alle liefde is uit God.

Verblijf daarin, zegt Hij ons, en wel zó,

dat je met elkaar en met Mij verbonden blijft.

Verblijven in deze liefde doe je, zegt Jezus,

als je naar mijn woorden hoort en ze bewaard:

 

Als jullie mijn geboden bewaren,

zullen jullie één blijven met mijn liefde,

zoals ik de geboden van mijn Vader heb bewaard,

en één blijf met zijn liefde.

 

Net zoals bij de liefde is het ook met de geboden.

Jezus bewaart de geboden van zijn Vader,

door zich met zijn leven daar voor in te zetten.

En zo zullen ook wij de geboden van de Vader

met ons concrete leven bewaren:

door ons in te blijven zetten voor elkaar.

 

Want alleen dan verblijven wij in Góds liefde,

en blijven wij één met Jezus en met elkaar.

 

Wat zijn nu de geboden van Jezus en zijn Vader?

Jezus zegt het nadrukkelijk hier en elders:

 

Dit is mijn gebod:

dat jullie elkaar liefhebben.

 

Dat wij elkaar liefhebben – is zijn gebod

zoals wij worden liefgehad door Hem en door de Vader.

 

Het is geen nieuw gebod dat Jezus ons hier geeft.

Dit is het grote liefdegebod uit Deuteronomium,

dat geheel de Schrift samenvat:

 

Hoor Israël, Jahwe onze God is één!

Gij zult Jahwe uw God beminnen met heel uw hart,

met heel uw ziel en met al uw krachten -,

en uw naaste als uzelf -, voegt Jezus toe.

 

Elkaar liefhebben begint hier niet met liefhebben.

Nee, dat begint heel verrassend met: horen.

 

Hoor Israël, en je zult beminnen met heel je hart,

met heel je ziel en met al je krachten.

 

De liefde van God, die voorafgaat aan al ons liefhebben,

en er ook de Bron van is,

komt niet voort uit onszelf, maar wordt gewekt

in het hóren naar de woorden van de Vader.

 

Hoor, zegt Jezus tot vandaag tot ons,

naar deze woorden die Ik van de Vader heb gehoord:

 

De grootste liefde die iemand zijn naaste kan betonen,

bestaat hierin dat hij zich met zijn leven voor hem inzet.

 

Als je dit enkel hoort als een gebod of morele opdracht,

dan krijg je een heel zwaar juk opgelegd,

een onmogelijke verplichting die niet te doen is.

 

Dit kan alleen maar geschieden als we gaan voelen,

dat niet wij op onszelf in staat zijn tot liefhebben.

 

Dat wij gaan zien dat niet wijzelf

– en ook Jezus niet –

de bron van die liefde is,

maar dat de Vader zichzelf geheel en al

als liefde in ons uitgiet.

 

Wij worden al bemind van onze geboorte af,

nog vóór ook wij maar gingen beminnen.

En tot op de dag van vandaag heeft de Vader ons lief,

onvoorwaardelijk en om niet, zo hoorden we bij Jesaja:

 

Komt allen die dorst hebt, hier is water;

en gij, die geen geld hebt, komt,

koopt koren en eet zonder geld,

en drinkt zonder betaling wijn en melk.

 

Zo gaat de Vader ons voor in de grootste liefde die wij kunnen betonen.

De Vader immers zet zich met zijn liefde in voor ieder van ons.

Zonder reden, zonder onze verdienste, onvoorwaardelijk en om-niet.

Hij kan niet anders: want Hij is liefde en alle liefde komt uit Hem.

 

Wij, op onszelf, kunnen niet onvoorwaardelijk en om-niet beminnen.

Gelukkig is de Vader er, alle dagen van ons leven.

Wij hoeven slechts te drinken aan die bron van liefde die Hij is,

en, net als Jezus, die liefde door ons heen te laten stromen

uit te laten stromen naar wie we op onze weg tegenkomen.

 

We hoeven geen moment bang te zijn ooit zelf iets tekort te komen,

want de Vader houdt nooit op zichzelf aan ons te schenken.

Als wij dat aandurven, mondjesmaat, dan zullen wij groeien in liefde.

 

Beter gezegd: dan zal de Vader in ons tot gestalte komen

zoals Hij ook in Jezus’ leven en zelfgave tot gestalte kwam.

Dan zal zijn koninkrijk naderen hier onder ons op aarde.

Niet uit onze kracht, maar door ons heen uit zijn kracht.

 

Want: van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, amen.

Dan worden wij met Jezus deelgenoot aan de vreugde van de Vader,

en zal onze vreugde volkomen zijn.

 

Met de liefde die de Vader mij toedraagt,

heb ik jullie lief – zegt Jezus.

Blijf in mijn liefde.

 

Jezus dronk aan de Bron van alle liefde: het woord van zijn Vader.

Dat ook wij meer en meer ons laven aan die Bron van levend water,

door samen het Woord van de Vader in de Schrift te overwegen,

en meer en meer op Hem mogen gaan gelijken:

onvoorwaardelijk uitstromende liefde voor elkaar en al wat is.

Overweging van zondag 22-4-2018 door p. Tom Buitendijk

 

Inleiding

Van harte welkom in deze viering.

Op deze dag wordt in heel de kerk  – wereldwijd – gebeden om roepingen.  Tot het religieuze leven. Tot het ambt .

Het gaat dan om inspiratie en om leiding.

Iemand zei eens: er zijn wèl voldoende roepingen .Er zijn alleen te weinig antwoorden.

Hoe komt het dat mensen zo weinig antwoorden op Gods roepstem?

Ik denk dat roepingen alleen maar kunnen groeien in een goed kerkelijk klimaat. Dat is een klimaat waarin mensen religieus gevoelig zijn,

zich verantwoordelijk weten voor de gemeenschap,

uitdagingen zien om het evangelie handen en voeten te geven.

Wij allen zijn geroepen dit klimaat te bevorderen door ons oprecht  christelijk leven. Willen we God en elkaar bidden ontferming.

Overweging

Als je aan buitenlanders taalles geeft dan merk je al gauw dat de moeilijkste woorden de voorzetsels zijn. Op , in , bij , naar , tot. Wat is bv het verschil van : ik loop naar de deur of ik loop tot de deur. Hoe leg je uit dat je op de Hescheweg woont, aan de Hertogsingel en in de Staringstraat. Was je als kind op de verkennerij of onder de verkennerij? In het evangelie noemt  Jezus zich de Goede Herder. Loopt Hij voor de kudde uit , achter de kudde aan, of midden tussen de schapen door? Een pastor in de parochie: staat hij boven de mensen, onder de mensen, komt hij uit de gemeenschap voort  of staat hij tegenover de gemeenschap? Vandaag is het Roepingenzondag. Het thema dat het bisdom mee geeft is : Sluit je aan?  De eerste vraag is dan: waarbij ? Weer zo’n lastig voorzetsel.

Kun je vandaag aan de dag met droge ogen vragen: wil jij pastor worden? Wil je religieus worden?  Moderner gevraagd: wil jij inspiratie en leiding geven aan een godsdienstige gemeenschap? Wil jij samen met anderen een leefwijze voorleven die anderen kan aanspreken?  Hoe mooi je de vraag ook stelt…..  vraag je eigenlijk niet aan mensen: sluit je aan bij een instituut dat er voor de meeste  mensen niet meer toe doet?  Wil je beginnen aan een levenswijze die alleen nog maar door oudere mensen wordt beleefd? De jongste religieuzen zijn zestigers. Jaarlijks sluiten een paar kloosters hun deuren.

Als wij heel eerlijk zijn, dan vinden we het vreemd en ongewoon dat iemand voor het religieuze leven of voor het kerkelijke ambt kiest.  Eigenlijk vinden we het ook een beetje gek in onze tijd.  Zijn het geen zonderlinge types?

Het bisdom Rotterdam heeft eens een film laten maken over het dagelijkse leven van een priester. Hij  bidt, doet de eucharistieviering, gaat op huisbezoek, woont een vergadering bij, drinkt een biertje in de jongeren sociëteit. Op een ouderavond van een grote middelbare school laat de bisschop de film zien. Allenmaal positieve reacties. Boeiend. Interessant. Goed werk. Heeft de maatschappij nodig.

( Nou moeten de vrouwen even niet luisteren.) Vraag de bisschop aan de ouders: is dat iets voor uw zoon?  Roepen de ouders in koor: “welneen, we hebben liever dat hij vak kiest.”.

Wat wij roepingencrisis noemen is, denk ik, het logische gevolg van een kerkcrisis.  De kerkcrisis is ten diepste weer een geloofscrisis.

Geloven betekent  vertrouwen.  De vraag die ieder van ons zich moet stellen is deze: vertrouw ik mij toe een Jezus de Goede Herder die bereid is zich geheel en al in te zetten voor de gemeenschap? Sluit ik mij aan bij Jezus? Volg ik Jezus na op zijn weg naar God en naar medemensen?

Als wij de kerkgemeenschap van gelovigen noemen, dan is de vraag: werken wij in deze samenleving oprecht en daadkrachtig  aan het Rijk van God : de kern van Jezus’ boodschap?  Als wij, kerk mensen, niet gericht zijn op God, als wij niet geraakt zijn door de kern van het evangelie, hoe kan God dan uit ons midden mensen roepen?

Hoe zouden er in onze Titus Brandsmaparochie. roepingen tot pastoraat of religieus leven kunnen ontstaan? Is onze parochie een goed klimaat?

Jongeren zullen zich alleen maar geroepen kunnen weten wanneer zij religieus leven en pastorale betrokkenheid in de gemeenschap ervaren.

Nog anders gezegd: als parochianen vrijwillig pastorale taken op zich nemen dan kunnen enkelen zeggen: daar maak ik mijn beroep van.

De gemeenschap roept mij.
Heerst er in onze parochie een gezindheid van herderlijke zorg voor elkaar? Zien wij in onze gemeenschap naar elkaar om?

Hebben wij pastorale bezoekgroepen voor zieken en ouderen?

Vinden wij wegen naar armen en eenzamen?  Staan we open voor vluchtelingen en zijn we gastvrij voor vreemdelingen?

Heerst er in onze gemeenschap een gezindheid van dienstbaarheid?

Zijn wij bereid ons voor elkaar in te zetten?  Koffie drinken na de viering is erg gezellig. Maar is de koffieclub op sterkte?

De kerk ziet er schoon en verzorgd uit.  Er zijn maar twee kosters. Is er nou echt niemand te vinden die koster wil worden?  Mogen wij  elkaar tot deze vorm van dienstbaarheid roepen?

We zien bijna geen kinderen of jongeren in de kerk?

De eeuwige vraag is: hoe krijgen we jongeren in de kerk?

Draai de vraag eens om: wat kan de kerk voor jongeren doen?

Waarom staan bezorgde ouders niet op en zeggen samen: we gaan met en voor onze kinderen een jongerengroep oprichten of een jongerenkoor organiseren.
Als je aan die paar kandidaten voor het religieuze leven of voor het pastoraat die er nu nog zijn, vraagt hoe ze aan hun roeping komen,  dan is dat zelden een stem van God . Veel vaker is het een voorbeeld van een mens die geloofwaardig christelijke leefde en handelde. Door parochiaan te zijn roept de een de ander tot pastor.
Bij  al die voorzetsels die de revue gepasseerd zijn is er een het allerbelangrijkste: : ‘voor’ in de betekenis van ‘ten dienste van’ of ‘ten bate van’. Dat ‘ten bate van en ten dienste van’ heeft Jezus tot het uiterste toe beleefd. Hij is de Goede Herder die zijn leven geeft voor de schapen.
Als wij als parochianen  ons aan sluiten bij Jezus en Hem volgen op zijn weg naar God en de naasten, dan wordt ons geloof bron van ‘samen kerk zijn’ en ons ‘samen kerk zijn’  bron van religieus en ambtelijk leven.

Waarom niet antwoorden als we geroepen worden?

 

Voorbede

 

Pastor

Bidden wij voor onze geloofsgemeenschap.

Dat wij onze roeping gestalte geven ten dienste van de samenleving.

 

Lector

Voor allen die in de kerk leiding geven.

Voor paus Franciscus, voor de religieuzen en de geestelijken.

Voor de leden van het parochiebestuur en het secretariaat.

Om een geest van dienstbaarheid.

S T I L T E  Laat ons bidden.

 

Lector

Voor de werkgroepen, voor de koren, voor, voor de stille werkers op de achtergrond.

Dat zij Jezus, de Goede Herder, als inspiratiebron zien.

Mogen zij handelen en wandelen in zijn voetspoor.

Dat door hun inzet het gemeenschapsleven  kan bloeien en groeien.

Om plezier en voldoening in het  werk.

S T I L T E  Laat ons bidden.

 

Lector

Voor de wereldsamenleving.

Dat de Goede Boodschap van Gods liefde overal gehoord wordt.

Dat missionarissen en ontwikkelingswerkers handen en voeten geven aan het evangelie.

Voor de jonge kerkgemeenschappen in Afrika,  Azië en Latijns Amerika.

S T I L T E  Laat ons bidden.

Pastor

Leer ons zo luisteren naar Jezus de Goede Herder

dat wij zijn stem verstaan en Hem volgen op de wegen ten leven.

 

 

Openingsgebed

Goede God, als een Herder draagt u zorg voor de kerk

opdat zij de boodschap van liefde wereldwijd blijft uitdragen.

In alle tijden roept u mensen op

hun leven te verbinden aan de kerk

als religieus, als pastoraal werker, als priester.

Moge uw roepstem klinken in onze gemeenschap

zodat ook uit ons midden er mensen opstaan

die U antwoorden en de kerk gaan dienen.

Dit bidden wij u door Christus onze Heer.

 

Gebed over de gaven

Goede God, mogen deze gaven van brood en wijn die wij aandragen een teken zijn van bereidheid deze gemeenschap te versterken.

Moge Uw Geestkracht die deze gaven zal bezielen werkzaam zijn in onze harten.  Dat wij uw roepstem verstaan en beantwoorden.

Dit bidden wij u door Christus onze Heer.

 

Slotgebed.

Goede God, Uw Zoon Jezus nodigt ons uit Hem te volgen

en in eensgezindheid en vrede met elkaar te leven.

Versterk in ons de Geest van dienstbaarheid en van bereidheid naar elkaar om te zien. Moge onze herderlijk zorg voor elkaar

bron zijn van nieuw leven in Jezus ’Geest.

Dit bidden wij u door Christus onze Heer.