Overweging van 23-11-2014 door P. George Zeegers

 

Woord van Welkom

Goede morgen,  beste mensen, van harte welkom vanmorgen in onze viering. Het is de laatste zondag van ons kerkelijk jaar. We vieren dat Christus Koning is. Christus is de koning van ons leven, niet staatkundig, maar in het personele vlak. Hij is mijn voorbeeld, mijn idool.  Hij is het gezag in  mijn leven,  degene die wat te zeggen heeft voor mijn welzijn en wel bevinden, want bij Hem hoor ik Gods eigen woord en zie ik Gods eigen handelen.

Vandaag is het ook een bijzondere dag want ons koor het Titus Brandsmakoor bestaat vandaag 10 jaar. Nou dat is toch ook heel bijzonder. En dat vieren we met jullie vooral in de personen van Gertrude van Santvoord,  Theo Vendelmans en  Martien Donkers. Dat wij een goede viering mogen hebben.

Maken we het stil om open te staan voor Gods woord in ons midden.

 


Overweging

Matteus heeft in zijn evangelie het levensverhaal van Jezus verteld, maar hij heeft dat zo geredigeerd dat hij Jezus 4 grote redevoeringen laat houden waarin woorden, gezegden en gedachten van Jezus samenkomen.  Vandaag horen we het slotstuk van de laatste redevoering en daarin een groots tableau van de eindtijd.

Als Jezus over zichzelf spreekt gebruikt hij vaak dat woord uit het boek Daniël ”mensenzoon”.  Een bijzonder woord dat ook iets laat doorklinken van iedere mens, van “de”mens. In Jezus horen we iets over elke mens, over ieder van ons.

Het beeld van het laatste oordeel heeft in alle tijden kunstenaars geïnspireerd tot grootse beschrijvingen en  schilderingen.  Op de grote wand in de sixtijnse kapel, voor wie daar geweest is, schildert Michael Angelo zíjn visie op dat tafereel. In de apsis van veel van onze kerken zien we een verbeelding van dit oordeel. Want in onze menselijke beleving van gerechtigheid moet er een finale afrekening komen, ooit, eens, over het leven dat een mens geleefd heeft. Ieder mens moet rekenschap afleggen over zijn leven, zo voelen wij dat, zo is onze menselijke behoefte. Dat was in Jezus’ en Matteus’ tijd niet anders.

Maar heel anders dan bij ons in de rechtszaal gaat het niet over goed of kwaad, over bewijzen en verweer. Er geldt één regel:  “wat je de minsten der  mijnen hebt gedaan, dat heb je mij gedaan”. Er geldt één criterium: heb je God gediend, heb je Zíjn-  Gods – bedoeling waar gemaakt in je leven: heb je het leven gediend en omarmd en gekoesterd, vooral daar waar het werd bedreigd . Heb je omgekeken naar je medemens, vooral je medemens in nood. Onze koning wil gediend worden in zijn mensen.  Letterlijk:  “Ik” had dorst,  “Ik” had honger, “Ik” was ziek, “Ik” zat in de gevangenis…  en jij , waar was jij ????

 

Dit verhaal is wel heel indringend.  De arme staat altijd op onze stoep; en dat vinden we helemaal niet leuk meestal. De armen: zij verstoren onze rust, onze vertrouwde manier van doen; zij zijn altijd stoorzenders en vaak ook zijn zij een angel in ons geweten, want zij doen een appèl op ons.  Een bedelaar op de stoep van de kerk in zuidelijke landen en soms ook hier.  Een straatkant- verkoper bij het station, we worden er onrustig van  en voelen ons niet prettig. Wat te doen? Is daar wel echte nood? Wordt onze fooi niet verzopen in het café? en je kunt toch niet de hele wereld redden! We redeneren ons er wel uit meestal, maar het is niet prettig.

Christus navolgen vraagt inzet en moed en zelfoverwinning. Jezus daagt ons uit om je medemens te zien en nabij te  zijn, zeker als die hulpbehoevend is.

Ik vind het hartverwarmend binnen onze gemeenschap dat ik zo vaak verhalen hoor over hulp aan anderen, over klaar staan  en nabij zijn als iemand dat nodig heeft. Jezus is de Heer van ons leven, onze Koning! Dat wij Jezus meer en meer representeren in de wereld waarin wij leven.

 

Overweging van zondag 14 november door p. George Zeegers

 

Het is een heel moderne parabel, die we zojuist hoorden: je moet je talenten ontwikkelen en gebruiken. Scholen hebben een talentenklas,we krijgen een talentencampus en ook het eind van die parabel klinkt heel modern. In het zakenleven van onze tijd, daar moet winst gemaakt worden of anders deugt het niet. Je  moet je geld niet in je oude kous bewaren, maar zet het op de bank dan krijg je tenminste nog rente. Want het moet opleveren! En zelfs het  einde  dat zo hard klinkt is de gang van zaken bij elk faillissement of in minder economische tijden: mensen die eruit moeten, hun baan verliezen of zelfs met grote schulden achterblijven bij het sluiten van een bedrijf.

En toch klinkt het ook weer niet erg christelijk. Het gaat hier  -dat weten we – over een parabel, Parabels zijn voorbeeld- verhalen die iets speciaals willen duidelijk maken en dus dingen op scherp zetten..en hier is dat duidelijk: God is die man  die naar het buitenland vertrekt. Wij zijn die dienaren die op zijn bezit moeten passen. Het talent was de  grootste geld-eenheid van die tijd, een waarde van 40 kilo zilver, wordt geschat, we weten dat niet precies..  En wij, zijn dienaren,  moeten de talenten die ons zijn toevertrouwd gebruiken, zodat ze vrucht dragen.

De beeldtaal van deze parabel is die van de economie: geld maken, werken en winst maken. De parabel spreekt over de bank en rente.  Het  klinkt allemaal heel modern, helemaal van onze tijd. Maar… het gaat hier niet over geld verdienen of aandelen en winst. We moeten goed luisteren! De heer vertrouwt niet ieder zijn afzonderlijke persoonlijke kwaliteiten toe; Hij vertrouwt zijn hele bezit toe aan zijn dienaren. En zijn bezit dat is niet geld. Dat is zijn ideaal, zijn droom met de hele schepping, met zijn mensen en zijn mensengemeenschap. Dat is de uitdaging waar wij voorstaan: Gods schepping en zijn bedoeling met al wat is, tot bloei brengen en vooruitdragen. En daar mag niemand zich aan onttrekken

Het woord ‘talent’ heeft twee betekenissen gekregen, waarschijnlijk door deze parabel, want het  woord talent werd ook de naam voor  de menselijke kwaliteiten die je meedraagt. En al hebben we allemaal verschillende kwaliteiten, we hebben er o zoveel –  ieder van ons. We zijn geweldig begiftigde wezens, we kunnen er mee tot op een onbenullige astroïde ergens heel ver weg in het heelal komen.  Al je talenten moet je aanwenden, zo goed je kunt, opdat Gods droom met mij en met zijn hele schepping waar wordt, gerealiseerd wordt, mede door mijn inspanning. En als je doet wat je kunt, dan is het goed . En dan is het heel goed. “Uitstekend goede en trouwe knecht”, klinkt het. Dat is de zin van deze parabel.

 

De  liturgie van deze zondag geeft een duidelijk voorbeeld. We lazen in de eerste lezing een van de schaarse stukken over de vrouw.  Onze bijbel komt uit een mannencultuur. Zoals ook in onze profane geschiedenisboeken het bijna uitsluitend over mannen gaat, zo is dat in de bijbel ook zo. Het is dan ook  bijzonder dat het boek Spreuken eindigt met zo’n uitgebreid loflied op de vrouw. Dit is maar een gedeelte van dat loflied en dit stuk is al duidelijk genoeg. en liegt er niet om. Een sterke vrouw wie zal haar vinden begint de tekst. Nou..sterke vrouwen zijn er zat, hier een kerk vol sterke vrouwen niet vanwege haar spierballen of haar hoge positie in de samenleving, maar wel om haar basis plaats in de samenleving, vrouwen zijn de draagsters van het leven, de draagsters van onze gezinnen, de draagsters van onze gemeenschappen, ook van onze geloofsgemeenschap.

Deze tekst is een gedicht,  een acrosticon, dwz dat ieder regel begint met een volgende letter van het hebreeuwse alfabet begint. De bijbelwetenschappers zijn er tamelijk over eens dat in dit gedicht de vrouw het beeld is van de wijsheid van God.

Nou, dames, een mooier compliment kan de Bijbel jullie niet maken.

Overweging van zondag 9 november 2014 door pastor Leon Teubner.

 

Jezus is onderweg naar Jeruzalem om er

met zijn leerlingen het Paasfeest te vieren.

Met Pasen herinnert het joodse volk zich

dat God hen ooit bevrijd heeft uit Egypte.

En dat deze bevrijding telkens weer nodig is.

 

Die bevrijding geschiedt nu, als zij optrekken naar de tempel,

en daar in het Heilige komen te staan voor Gods gelaat.

Telkens als zij er met lege handen en met enkel zichzelf binnentreden

om daar God werkelijk te ontmoeten, worden zij weer Gods volk

dat onderweg is naar het beloofde land.

 

In het Heilige wordt alles afgebroken en ontbonden

wat er staat tussen hen en hun God.

Alles wat hindert om Hem werkelijk te ontmoeten,

alles wat hindert om door Hem te worden geleid.

 

Steeds staat er van alles tussen ons en onze God.

Wij komen tot Hem met geld en goed en offers van allerlei soort,

om Hem mild te stemmen en om ons eigen heil af te kopen.

Maar wij geven niet onszelf, vertrouwen onszélf niet geheel aan Hem toe.

 

En zo komt de levengevende ontmoeting niet tot stand

en worden wij niet echt bevrijd en blijven slaaf in Egypte.

Wij naderen wel God, die onvoorwaardelijk op ons wacht,

en die niets van ons verlangt dan wijzelf alleen.

Maar wij vullen zijn huis met van alles en nog wat,

en Heer van het huis verdwijnt achter dat alles onze hun ogen.

 

Het verhaal van de reiniging van de tempel wil ons bewust maken

van die oermenselijke neiging, alles zelf te willen verdienen of te kopen,

vanuit een diep verlangen om autonoom en onafhankelijk te zijn;

een diep verlangen om God en niemand anders nodig te hebben,

om eigenlijk gelijk aan God te worden – om God zelf te zijn.

 

Deze onbewuste streving ziet Jezus in de tempel gebeuren,

en Hij kan niet anders dan daarop reageren.

Het is Hem alles waard om ons te bevrijden, zelfs zijn eigen leven.

Opdat wij weer worden tot een tempel waarin God wonen kan,

en ons kan vormen tot zijn volk in zijn koninkrijk.

 

Steeds weer raken wij weg bij wat Gods verlangen is,

wanneer onze eigen verlangens op de voorgrond staan.

Gods verlangen is het om in ieder van ons wonen,

om zijn koninkrijk in en onder ons tot gestalte brengen.

 

Maar wij komen bij Hem met onze eigen verlangens,

en niet om Hemzelf; Hij is als een koe, zegt meester Eckhart,

die wij houden om de melk en de boter en de kaas,

maar die wij steeds weer achterlaten in onze wei.

 

Ook Paulus herinnert ons indringend aan het verlangen van God:

 

Weten jullie niet dat jullie Gods tempel zijn,

en dat de Geest van God in jullie woont?

 

Ons lichaam is de tempel van God, zeggen Jezus en Paulus.

In ons moet Hij de ruimte krijgen, om er ons en alles te ontvangen.

Dat is een verrassende kijk op ons lichaam en ons leven.

Niet wij, maar God is er de gastheer, en wij de gasten.

 

En dat geldt voor alles wat lichamelijk is:

de dingen, de planten, de dieren, de hele kosmos:

God is er de gastheer van, en wij en al wat is,

zijn er uitgenodigd als door Hem gewenste gasten.

 

Maar ben ik wel gast in mijn lichaam en in al wat is?

Ben ik wel te gast bij mijzelf, bij wie ik ben?

Met al mijn unieke mogelijkheden, maar ook mijn grenzen?

Wil ik niet liever gast zijn in een ander lichaam,

dat er zoveel beter uitziet, jonger is,

heel andere talenten heeft, slimmer is?

 

En ben ik wel te gast in de relaties die mij gegeven worden?

Zou ik niet liever andere relaties hebben,

die mij misschien meer aanzien geven en respect?

Kan ik wel gast zijn met die onmogelijke ander die mij gegeven wordt,

of tref ik alleen mijzelf aan in het centrum van mijn leven?

 

En blijf ik wel gast – ook als alles minder wordt?

Wanneer mijn lichaam het begeeft of mijn geest minder helder,

mijn relaties het begeven en ik eenzaam wordt?

 

Jezus en Paulus nodigen ons uit om met hun ogen te kijken.

Zij vragen ons: Kun je jezelf zien als een tempel van God?

Durf je daar binnen te treden zoals je gegeven wordt,

om er te verschijnen voor zijn bevrijdend Gelaat? –

en je te laten ontbinden van al datgene waaraan je gehecht bent,

maar wat de ontmoeting met Hem en je naaste in de weg staat?

 

Als ik eerlijk ben en naar mijn eigen leven kijk, is dat een moeilijke zaak.

Dan moet ik erkennen dat ik vaak besefloos door het leven ga.

Dat ik onbewust zelf vaak de gastheer in mijn leven ben.

Wat God meestal in mij, zijn heiligdom, aantreft

 

zijn allerlei slimme verkopers die Hem en mijn medemensen

gunstig willen stemmen met offers van allerlei aard;

en geldwisselaars die Zijn goedheid inwisselen voor mijn goedheid.

Veel ruilhandel ten dienste van mijzelf i.p.v. Hemzelf.

 

‘Durf je, zoals ik, werkelijk gast te zijn in het huis van de Vader’,

dat is de uitdaging die Jezus aan ons allen vandaag stelt.

Durf je werkelijk met enkel jezelf voor God Gelaat te staan,

en te zeggen: Hier ben ik; mij geschiedde naar uw woord.

 

Durf je te zijn wat dwaas is in de ogen van de wereld:

even niet autonoom te zijn, maar afhankelijk en ontvankelijk;

een mooi en uniek geschenk van God zijn,

precies zoals je bent en even niet anders.

 

Leren onszelf te geven is een proces wat een leven lang duurt.

Maar als we dat meer en meer durven doen in ons leven,

dan worden we werkelijk een gast in zijn koninkrijk,

en zoeken wij Hem echt,

zoals wij zojuist in het openingslied hebben gezongen:

 

Wij zoeken Ú als wij samenkomen,

hopen dat Gij aanwezig zijt in ons,

hopen dat het er eens van zal komen:

mensen in vrede vandaag en altijd.

 

Ja, wij mogen hopen dat Hij aanwezig komt in ons leven.

Ja, wij mogen hopen dat het er van komen zal – steeds weer;

dat ons verlangen groeien zal naar zijn aanwezigheid in ons,

naar zijn bevrijdende komst en geboorte – advent

in ieder van ons, in zijn huis, zijn heiligdom.

Opdat Hij plaats kan vinden in al wat van Hem is en altijd al was.

 

Dat wij groeien in hoop en verlangen en van harte blijven zingen:

 

Wij vragen Ú – als behoud en zegen,

hopen dat Gíj – ons biddend verlangen bent,

hopen dat Gíj – ons uw adem blijft geven:

geestkracht die ons mensen tot vrede bekoort.

 

 

Bew

Overweging van zondag 26 oktober door p. George Zeegers

 Fair trade weekend  

Overweging.

Kent u de granaatappel? Een vrucht uit het middellandse zee gebied en natuurlijk heel bekend in  Israel, ook in het oude Israel. Hij  bevat 613 kleine rode vruchtjes, die prachtig gerangschikt zijn en een heerlijk sap bevatten. De vrucht  ziet er van buiten soms  wat onooglijk uit, maar het is geweldig om de granaatappel  gezamenlijk als dessert te eten.  In de oude joodse  traditie is de granaatappel het symbool van de liefde.  De 613 vruchtjes zijn de 613 geboden van de wet zoals de farizeeën die hadden uitgeplozen.

In de evangelielezing hoorden we hoe de farizeeën  Jezus een strikvraag willen stellen en bij monde van een Schriftgeleerde  onder hen vragen ze Jezus: welke van die 613  geboden is nu het  grootste gebod?  Jezus is klaar en duidelijk: Je moet God beminnen en je naaste als jezelf. Daar heb je hem, de hele granaatappel!  Je mag die uiteen leggen in heel veel kleine vruchtjes,  maar allemaal zijn ze deel van die ene appel, die liefdesappel: God beminnen en je naaste als jezelf.

Wij denken bij het woord Wet direct aan geboden en verboden, wij denken in juridische termen, maar in het joodse bewustzijn is de Wet, je levensoriëntatie, datgene wat je richting geeft in je leven en een leidraad is voor je doen en laten. In de eerste lezing hoorden we al een paar grote geboden  in de Wet: goed zijn voor de vreemdeling, de weduwe en de wees: degenen die tekort komen, die niet voor zichzelf kunnen zorgen  en geen bescherming kennen. In onze bewoordingen tegenwoordig bedoelen we dat met het woord Gerechtigheid doen, het thema van deze zondag. Je er voor inspannen om te helpen dat mensen tot hun recht kunnen komen; eerlijk betalen voor hun werk en inspanningen – fair trade. Zorg dragen voor ál wat is, in het thema duurzaamheid. Allemaal omdat het niet van ons is , maar van God, de heer en schepper van al wat is, de Heer van het leven: Je zult de Heer, uw God beminnen en je naaste als jezelf.

Het bijzondere is dat Jezus  liefde tot God en liefde voor onze medemens gelijk stelt aan elkaar. God liefhebben doe je door je naaste  lief te hebben, zo versta ik dat.  En liefhebben is de ander centraal stellen.  Onszelf beminnen is: voor onszelf opkomen, onszelf overeind houden en verzorgen; en dat is allemaal nodig en vanzelfsprekend.  Wie dat niet doet, raakt van zichzelf vervreemd en raakt het spoor van het leven bijster en heeft ook niets meer te geven. Liefhebben betekent jezelf geven en  de ander  centraal stellen in je leven. Leven  gaat om liefhebben, heel gewoon, van elke dag!.

Ik las het volgende :

de zon is voor velen de gewoonste zaak van de wereld.

Toch doet ze elke dag een wonder.

Ze steekt het licht en het vuur voor ons aan.

Ze vecht tegen de wolken om  mij te zien en me een mooie dag te schenken.

Doof ik de zon, dan zit ik in de zwartste duisternis en de ijzigste kou.

Zó is het met  de liefde:

gaat de liefde op in mijn leven, dan brengt ze licht en warmte.

Als ik de liefde heb, kan ik veel missen.

Maar als  de liefde  ondergaat in mijn leven,

worden de schaduwen steeds groter en geraak ik stilaan in de nacht van de kou.

De liefde is als de zon: wie ze heeft, kan veel missen.

Wie de liefde mist, mist alles.

 

Beste mensen, We moeten vaak een granaatappel eten als dessert

 

 

 

Overweging van 12 oktober 2014 door p. George Zeegers

 

Overweging.

De eerste dia die u zag bij het binnenkomen van de kerk  was:”t ís zorgelijk”!  Zo kijken wij heel vaak tegen de ontwikkelingen van onze tijd aan, tegen de bewegingen in de politiek, tegen ontwikkelingen in de samenleving. En er zijn ook veel dingen waar wij ons zorgen over maken. De Ebola ziekte in Afrika, de oorlogen die woeden op veel plaatsen; in onze kerk de afkalving van het medeleven en de betrokkenheid van zoveel mensen met onze kerk.  ’t Is zorgelijk!

Matteus beschrijft in zijn evangelie hoe Jezus steeds harder botst met de religieuze leiders van zijn volk: de hogepriesters en Schriftgeleerden, de oudsten en de farizeeën. De apostelen vinden het ook heel zorgelijk worden en proberen Jezus weg te houden uit Jeruzalem. Maar Jezus moet in Jeruzalem zijn, dat is het centrum van het gelovig leven;  dáár moet zijn boodschap klinken. Maar het is een zorgelijke situatie.

In zijn confrontatie met die leiders gebruikt Jézus altijd beelden van voorspoed en vreugde. De laatste wekende hoorden we steeds  het beeld van de wijngaard: Gods rijk is als een wijngaard. We hoorden over de wijngaard en de arbeiders in de wijngaard, waarbij de laatst komende toch evenveel uitbetaald krijgt; de wijngaard en de pachters die  de dienaren mishandelen en doden, die de zoon doden.  De wijngaard, beeld van welvaart, oogst, en van wijn, de vreugdedrank. En ook de plek waar veel mis kan gaan.

Vandaag het beeld van de bruiloft.  Het rijk van God is als een bruiloft. Niks zorgelijk. Wie niet mee wil doen, die blijft maar thuis, maar het zal feest zijn!  Het rijk van  God is feest! is vreugde! Niks zorgelijk.  Dat is toch iets om over na te denken, beste mensen:  in benarde omstandigheden, heel zorgelijke omstandigheden want dat waren die twistgesprekken met de joodse overheden, heeft Jezus het over feest.  Het rijk van God is een feest!  En als mensen niet mee willen, oké dan, dan zoeken we anderen, maar het zal feest zijn, groot feest., bruiloft zal het zijn.

We hebben veel doemdenkers in de wereld, in ons land zeker. We worden overspoeld door nare berichten en ook de gesprekken die wij onderling voeren:  ze gaan vaak over negatieve dingen , over dingen waar wij ons zorgen over maken, de negatieve dingen trekken onze aandacht, boeien ons meer dan positieve dingen; maar ze maken ons ook  tot zorgelijke mensen.

God wil onze wereld en ons leven als een bruiloft! Als een feest! Je kunt het bijna niet geloven. En….beste mensen, onze wereld ís een paradijs, ons land is een prachtig land. Er is zoveel moois, zoveel schoons, kijk eens naar de prachtige bloemen die hier staan.  Er wordt ons zoveel geschonken. Wij hebben zoveel redenen om blij te zijn.  Er is zoveel  goedheid om ons heen.

Ik wens ons toe, dat we meer blijheid toelaten in ons leven, meer leven in dankbaarheid. Er is een spreekwoord in de trant van “de mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest”. Annie G. Schimdt heeft een ander spreekwoord ingevoerd; “lachen mag van God”.

 

 

 

 

Op het eind van deze viering mag ik jullie namens onze Titus Brandsma parochie een heel goede week toewensen. Alexandra Kooijman en Robin Huismans, jullie gaan vanuit onze parochie, maar ook allen leden van de Paaskerk. We wensen jullie toe dat je een vruchtbare week mag hebben voor die gehandicapten kinderen, voor hun begeleiders en hun ouders. Jullie zullen daar in heel primitieve omstandigheden verkeren.

Het ga jullie heel goed. Een goede reis en moge de Zegen van God met jullie zijn, bij al wat je onderneemt.

Overweging van zondag 19 oktober door P. Leon Teubner

Matteus 22, 15-22

 

Een aantal hogepriesters en farizeeën willen van Jezus af.

Zij haten Hem omdat Hij hun geestelijk leiderschap hekelt

en voor de ogen van het volk doorprikt als onwaarachtig.

Daarom zijn zij Hem liever kwijt dan rijk.

 

Nu zijn er twee manieren om dat te bereiken:

ofwel door Jezus ernstig gezichtsverlies te laten lijden voor het volk,

voor de gewone mensen die Hem aanhangen en volgen;

of door Hem als een bedreiging te laten overkomen

voor de Joodse en Romeinse machthebbers in het land

zodat deze Hem oppakken en veroordelen.

 

De farizeeën sturen hun leerlingen

samen met de aanhangers van koning Herodes,

daarom op Jezus af met een strikvraag.

Een dusdanige strikvraag, dat elk antwoord fout zal zijn

en zal leiden tot zijn af- of ondergang.

Zij vragen Hem:

 

‘Zeg ons, wat vind je hiervan:

mag je aan de keizer belasting betalen of niet?’

 

Als Jezus ‘ja’ zegt op deze vraag, dan verliest Hij het vertrouwen van het volk,

dat onderdrukt wordt door de Romeinen en al zolang hoopt op bevrijding.

Als Jezus ‘nee’ zegt op deze vraag, dan kan hij worden aangeklaagd als rebel,

die een opstand onder het volk wil ontketenen tegen de Romeinen.

Welk antwoord Hij ook geeft, het is altijd het verkeerde.

 

Maar Jezus doorziet hun opzet en vraagt aan hen:

 

Laat mij de belastingmunt eens zien;

wiens beeltenis en opschrift staat erop?

 

Zij antwoorden: het is het beeld en het opschrift van de Keizer.

Daarop raadt Jezus’ hen aan:

 

Geef dan terug aan de keizer wat van de keizer is!

 

Daarmee lijkt de vraag beantwoord voor de farizeeën en de Herodianen.

Maar Jezus is nog niet klaar met hen.

Hij is toch, zoals zijzelf aan het begin tegen Hem zeiden,

een rabbi, die naar waarheid onderricht over de weg van God.

Dus onderricht Jezus hen over de weg van God en zegt:

 

Geef dan aan God wat van God is.

Jezus stelt hen met zijn antwoord in een fundamentele vraag:

Hij laat hen nadenken over wat van de mens is en wat van God.

 

De belastingmunt staat voor de menselijke macht en heerschappij,

en voor alles wat voor mensen maakbaar en grijpbaar is,

maar wat tegelijk aan slijtage en verandering onderhevig is, eindig is.

Het staat voor alles wat toe te eigenen is, maar dat niet wezenlijk is:

het staat voor macht, heerschappij, invloed, rijkdom.

 

Dat alles, raadt Jezus ons aan, kun je rustig loslaten

zonder dat je wezenlijk tekort komt.

Maar: wat houden we over als we dat alles loslaten,

als we aan de keizer teruggeven wat van de keizer is?

Alles wat niet te koop is en toe-eigenbaar,

maar wat vanzelfsprekend eigen aan ons is,

wat gratis aan ieder van ons gegeven wordt.

 

Bijvoorbeeld: het kloppen van ons hart – dat komt niet van de keizer.

Ook onze adem komt niet van hem, noch

het licht in onze ogen of de tast in onze handen.

Gods liefdesverbond met ons komen niet van de keizer.

noch de genegenheid, de liefde en de kommernis,

de bewogenheid die ons in relatie brengt, komt van hem.

 

Alles wat wij wezenlijk zijn, komt niet van de keizer.

En ook de schepping niet, noch de kosmos,

en daarin in het bijzonder de mens,

dat komt niet van de keizer, zegt de Schrift:

 

In een begin schiep God

de hemel en de aarde.

God zei: Laat ons mensen maken

in ons beeld, tot onze gelijkenis.

God schiep de mens in zijn beeld;

in het beeld van God schiep Hij hen,

mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.

God zegende hen en zei tot hen:

Zie, Ik geef jullie … en alles wat ik gemaakt heb.

 

God geeft ons gratis alles wat Hij maakt en gemaakt heeft.

Niet alleen de mens maar ook alles wat voor de mens maakbaar is.

Alles komt uiteindelijk van God en niet van de keizer.

Dus zullen wij ook dagelijks alles aan Hem teruggeven.

 

Hoe kunnen nu wij God teruggeven wat van Hem komt?

Hoe kunnen wij meebewegen met zijn weg met ons?

 

Door ons elke dag een moment te bezinnen,

waar wij vandaan komen en waar wij naar toe gaan.

Elke dag ons even realiseren dát wij er zijn,

en dat dit ook niet zo had hoeven zijn.

 

Dat wij nu leven, dat ons hart klopt en wij nu ademhalen,

dat wij ons bewust zijn van onszelf en van elkaar,

dat wij elkaar ongevraagd gegeven zijn,

dat alles is ons om niet en uit genade geschonken.

 

En dat geldt ook voor de werkelijkheid waarin wij leven.

Ons leven hier in Oss, in deze cultuur, in deze welvaart.

De gehele werkelijkheid die ons hier en nu gegeven wordt,

vloeit onmiddellijk uit God gunnende goedheid voort.

En ook de ander, die in zijn andersheid niet bij ons hoort,

komt zomaar en ongevraagd op onze weg vanuit Gods liefde.

 

God woont in ieder mens, zegt onze joods-christelijke traditie.

Hij schept zomaar iedere mens in zijn beeld om te groeien tot gelijkenis.

En iedere mens vindt genade in zijn ogen, en zo trekt Hij mét ons mee.

 

Liefde, vergeving, en bewaring is zijn Naam, dat is zijn Wézen.

Daar kunnen wij helemaal niets aan toe- of afdoen.

Niet met onze plannen, niet met onze kennis of kundigheden,

niet met onze welvaart, niet met onze armoede.

 

Wij kunnen Gods gunnende goedheid niet aantasten of verwoesten.

Door geen ziekte, geen aftakeling en geen depressie,

door geen doodzonde of misstap of vergissing.

 

Onuitwisbaar dragen wij zijn beeld in ons,

terwijl Hijzelf diep in ons verborgen blijft.

Hoe meer wij meegeven met zijn liefdevolle beeld in ons,

hoe meer zijn verborgen beeld in ons naar boven komt,

hoe meer wij elkaar het licht in de ogen gaan gunnen.

 

Dat wij groeien mogen in onderscheiding

tussen wat van ons is en wat van God is,

en daardoor groeien in gelijkenis met Hem

die liefde en bewaring is.

 

Impressie van een inspirerende avond voor leden van de beraden 16 september

Impressie van een inspirerende avond.

Op 16 september was er een tweede bezinningsavond voor leden van de Beraden. We kwamen bij elkaar rondom de vraag “Hoe beleef je liturgie?”. We zijn eerst gaan doen. Meditatief, dus in stilte en met aandacht, liepen we door de kerk om er voor onszelf de ‘juiste’ plaats te vinden. Daar hebben we een tijdje wat mijmerend gezeten. Daarna zijn we in een halve cirkel gaan zitten rondom het altaar, en hebben we de openingsliturgie ingeoefend. We hebben elkaar verteld over onze beleving van in stilte een plek vinden en de openingsliturgie voltrekken. Op ieder van ons heeft het vinden van een plaats in de kerk een grote indruk gemaakt. Als individu zijn we gaan lopen door de kerk, als groep zijn we gaan zitten, ieder op zijn plek. Door met aandacht en in stilte te lopen waren we meteen ontvankelijk voor de openingsliturgie. En dat is wat de opening van de liturgie ook beoogt: dat we geschikt worden om God te ontmoeten, ieder voor zich en samen als gemeenschap.

 

Vervolgens hebben we geluisterd naar een inleiding over wat de openingsliturgie wil voltrekken aan ons. Rituelen helpen ons daarbij. Elk ritueel dat we voltrekken zodanig dat het zich tegelijkertijd aan ons voltrekt is een ruimte tot omvorming. Een ruimte waarin we God kunnen ontmoeten en in die ontmoeting verder kunnen groeien in Liefde. Om te kunnen ontvangen moeten we eerst ruimte in onszelf maken om God binnen te laten. Deze ruimte maken we door te erkennen dat we als geschapen mensen afhankelijk zijn van God. We leven niet uit onszelf, God leeft in ons. Ook het samen zingen van het Kyrie – Heer, ontferm U over ons – is een manier om gezamenlijk ons tekort te erkennen en geschikt te worden voor de ontmoeting met God.

 

Daarna zijn we met elkaar in gesprek gegaan over wat liturgie met je doet en hoe het doorwerkt in je leven en je lid-zijn van een beraad. Ieder van ons kan beamen dat de viering iets aan je voltrekt, je komt de viering anders uit dan je erin ging. We voltrekken tijdens de liturgie samen rituelen en dit doen maakt dat zich iets aan ons voltrekt. Wat? Dat blijft toch moeilijk onder woorden te brengen.

Een poging: je eigen leven en van je familie en vrienden en anderen als gegeven gaan zien. God is het die ons ademt, dat doen we niet zelf. Je eigen tekorten en die van je naasten beter kunnen dragen. Vanuit liefde kunnen zorgen voor de mensen in je omgeving.