Overweging van zondag 13-12-2015 door p. Falco Thuis

Derde Zondag van de Advent
Lezingen: Sefanja 3,14-18a; Lukas 3,10-18

Beste Medegelovigen,
Zusters en Broeders,

Op deze derde zondag van de Advent, van ouds geheten “Zondag Gaudete”, horen wij in beide bijbel-lezingen woorden over werkelijkheden die haaks op elkaar staan: verschrikkelijke ellende en miserie, vervolging en ballingschap én aan de andere kant jubel en vreugde, hoop die doet leven. Wellicht dat deze twee werkelijkheden ook het wezen raken van ons leven hier en nu.
De profeet Sefanja is een van de kleine profeten in de tijd van Jeremias in de 7de eeuw vóór Christus. Het is een slechte tijd voor Israel, het volk is weggevoerd in ballingschap, en het leek de Thora, de wet van God, vergeten, het land bezet gebied. Overal soldaten in de straten.
Wie protesteerde ging de gevangenis in, of werd gekruisigd. Overal klonk de vraag: wanneer worden wij gered, wanneer bevrijd van deze terreur? Wanneer komt uiteindelijk de Messias, zo vaak aangekondigd? Sefanja spreekt over “de dag van de Heer” waarop de Heer ‘binnen de muren’ de Redder zal zijn voor een kleine rest van Israel, dat is omgekeerd van de weg van onwaarheid en ongerechtigheid, en zijn toevlucht heeft gezocht bij de Naam van de Heer. Sefanja roept deze mensen van gerechtigheid, die weten dat God als hun redder ‘binnen de muren is’, op tot jubel en vreugde. Vol hoop en vertrouwen weten zij zich reeds bevrijd.
In het Lucasevangelie vandaag horen we een zelfde boodschap van hoop. Ook hier is een profeet, een zeer groot profeet noemt Jezus hem, aan het woord: Johannes de Doper.
Hij is een stem in de woestijn. De woestijn is een beeld voor een wereld waar van alles ontbreekt, waar geen duidelijke rechte wegen zijn, waar mensen elkaar voorbijgaan als schepen in de nacht. De woestijn kent vele ontberingen van water en voedsel, waar mensen omkomen zonder dat iemand het in de gaten heeft, het is een werkelijkheid van dorheid en duisternis, van stuifzand en harde tegenwind zonder uitzicht waarheen. De woestijn is een onmenselijke wereld.
Johannes is de voorloper van Jezus Messias. Hij weet dat hij de weg bereidt voor Hem die groter is dan hijzelf. Zijn stem roept in de woestijn. Hij roept de mensen op andere wegen te gaan, zich af te keren van de weg van ‘onwaarheid en ongerechtigheid’, en het rechte pad in te slaan van bekering tot een leven menselijkheid en gaafheid.
Ook de boodschap van Johannes is een boodschap van hoop, en daarom van vreugde:
“Verheugt u, uw Verlosser is nabij”. De boodschap van een Verlosser die de mensen komt bevrijden staat niet los van de oproep van Johannes zich te bekeren en op het rechte pad te gaan van gaafheid en menselijkheid, de weg namelijk die Jezus Messias zal wijzen.
Beste Mensen, we weten dat geen mens zichzelf kan bevrijden, we ervaren dat elke dag en we zien het in de vele beelden in de media van wat mensen zichzelf en elkaar aandoen.
Gods Woord van de Bijbel geeft ons het uitzicht dat God de mens tegemoet komt en als het ware Zelf met ons de weg wil gaan in Jezus Messias, mens geworden Liefde. De profeten kondigen dit aan, soms duidelijk zoals bij Johannes de Doper, soms in bedekte termen zoals bij Sefanja. Vanuit zijn bewogenheid om de mens komt God ons tegemoet. Wij noemen dat ‘genade’, zonder verdienste van onze kant. Alleen God zal ons de genade schenken van volle bevrijding uit ongerechtigheid.
En toch , Zusters en Broeders, geldt ook in deze wereld van genade en geloof in Gods Gerechtigheid: “als je er niets voor doet, gebeurt er niets”! We kunnen niet met de handen over elkaar Gods bevrijding en Zijn Gerechtigheid gaan zitten afwachten, omdat dit alles je slechts als genade zal gegeven worden.
ADVENT betekent inderdaad verwachten, wachten, en dus ook afwachten, maar niet werkeloos en passief, eerder alert en waakzaam. “Als je er niets voor doet, gebeurt er niets”.
Dit is de boodschap van de profeet Sejanja en van de profeet Johannes de Doper in de bijbellezingen deze zondag.
In een eerder gedeelte van het boek ontmaskert Sefanja de zelfvoldane rijken, de schraperige handelaren, de onverzadigbare corrupte rechters en leiders, de valse bedrieglijke profeten en priesters die zich niet houden aan de wet. In dit proces van bekering en verandering zal de Heer God, die wordt voorgesteld als een koning, een nieuw volk maken van Jeruzalem, van Sion, van Israel, allemaal geliefde namen voor het volk van God. Maar intussen mogen hun handen niet verslappen! De profeet Sefanja kijkt over de ballingschap heen en ziet dat een nieuwe toekomst daagt.
Ook hoorden we Johannes in de eerste 5 verzen een duidelijke moraal preken in het licht van de komst van de Messias. ’Deel van je overvloed aan voedsel en kleding. Wees eerlijk en rechtvaardig. Buit mensen niet uit, en wees een tevreden mens. Zo breng je vruchten voort die passen bij bekering’. De oproep van Johannes de Doper op deze vreugdevolle Zondag Gaudete is streng en dreigend, zoals blijkt uit het slot van zijn prediking: “De wan heeft hij in zijn hand om zijn dorsvloer grondig te zuiveren, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur”. Deze harde woorden van Johannes zijn voor een deel ontleend aan de profeet Sefanja.
Het bijbels visioen van “de dag van de Heer”, van de overwinning van het goede, kan steeds opnieuw beleefd en gevierd worden, ook van daag. Bij voorbeeld in wat wij gisteren mochten zien in de eindelijke totstandkoming van het verdrag van zo’n twee honderd wereldleiders tegen de opwarming van de aarde, zodat met meer zorg wordt omgegaan met het ernstig bevuilde milieu, waarvan de armen het meest slachtoffer zijn. Het visioen van de overwinning van het goede krijgt ook een begin van werkelijkheid in een groeiende solidariteit van volkeren om de miljoenen vluchtelingen op te vangen. En zou ‘de dag van de Heer’ ook niet nabijkomen in het stoppen van geweld, onmenselijkheid en verwoesting, veroorzaakt door de Islamitische Staat, waarbij wij allemaal worden bevrijd uit de spiraal van geweld?
Moge de boodschap van de profeten Sefanja en Johannes de Doper vandaag een Blijde Boodschap zijn van hoop, die ieder van ons in beweging zet om de weg vrij te maken voor Jezus Messias, de Vredevorst, die in de woestijn van onze wereld de onthulling wil zijn van Gods bevrijdende Liefde, van Gerechtigheid en Menslievendheid. AMEN

Advertenties

Overweging van zondag 30-11-2015 door pastor Leon Teubner

In de eerste lezing hoorden we van rampen

die het volk van God getroffen hebben.

Het volk is verzwakt door allerlei ziekten

en het land is onvruchtbaar geworden.

 

En men vraagt zich af:

Waarom heeft de Heer dat gedaan?

Het antwoord is verrassend:

Omdat zij zich afgekeerd hebben van de Heer,

omdat zij verlaten hebben het liefdesverbond van Hem.

 

Het is niet een straf van God die rampspoed brengt.

Het is doordat het volk zich afkeert van de liefde

dat de aarde onvruchtbaar wordt,

en het volk verzwakt wordt door ziekten.

 

Onze God is geen straffende en wrekende God,

die allemaal bijhoudt wat zijn mensen verkeerd doen,

om hen dan plotseling en ongenadig te straffen.

Hij is liefde om niet, uitnodiging tot leven.

Liefde die smeekt om liefde, maar niet dwingt.

 

Onze God heeft met ons een liefdesverbond gesloten,

waaraan Hij trouw blijft, altijd en onvoorwaardelijk.

Hij blijft zijn volk liefhebben, wat zij ook doen.

Maar zijn volk kan dat liefdesverbond de rug toekeren,

zijn mensen kunnen ontrouw worden aan zijn verbond.

 

Dan verdringen zij de God die liefde is uit hun hart,

en zetten er verslavende afgoden voor in de plaats

om te aanbidden: geld, kennis, macht en status,

om daarmee anderen te overheersen en de aarde uit te putten.

 

Daar creëert de mens zelf de rampen die hem overkomen, daar

waar hij het liefdesverbond met God verlaat omwille van zichzelf,

zijn eigenbelang en zijn onvervulbare drang naar veiligheid en geluk.

 

En als het dan goed misgaat, zoals we vandaag weer horen,

dan projecteert de mens zijn eigen vernietigende kracht op God:

 

Waarom heeft de Heer dat gedaan?

Vanwaar zijn grote woede?

 

Dan scheppen de mensen zichzelf een ongenadige straffende God.

Of zij stellen zich de vraag: Waarom grijpt de Heer toch niet in?

 

Het enige wat God echter doet is Zichzelf helemaal geven:

onvoorwaardelijke liefde die schooiert langs onze straten

en in de krochten van ons hart.

Wij zijn het die steeds weer blind worden

voor zijn liefdevolle aanwezigheid in al wat is.

Wij zijn zijn volk, die steeds weer zijn liefde de rug toekeren,

en die zo onvermijdelijk het gebied van de niet-liefde betreden,

en ziek worden van hart, en het goede niet meer zaaien.

 

Maar onze God blijft trouw en wacht geduldig af,

tot wij uiteindelijk onze ellende beseffen,

en weer mens willen worden met alle mensen.

 

In Jezus zien wij deze tot besef gekomen mens waarop God wacht.

Als Hij met zijn leerlingen bij de tempel staat, schouwt Hij:

Er zal een tijd komen waarin dit alles verwoest zal worden’.

‘Wat zal het teken zijn dat dit gaat gebeuren?’, vragen zij Hem.

Dan zegt Jezus tot hen:

 

Er zullen tekenen zijn aan de zon, de maan en de sterren,

en op aarde zullen de volken in paniek raken,

radeloos door het gebulder van de zee en de golven.

De mensen zullen het besterven van schrik en spanning

om wat de wereld gaat overkomen.

Deze dag zal komen over alle bewoners van heel de aarde.

 

Zijn woorden zijn bestemd voor elke generatie, ook de onze,

en zij roepen gemakkelijk herkenning op.

 

Donkere beelden die jaar in jaar uit op het journaal te zien zijn.

Van vluchtelingen die omkomen in de bulderende golven,

van duizenden die onze grenzen oversteken en om hulp vragen.

Bedreigende beelden die ons kunnen verleiden

tot brasserij of overbezorgdheid om ons leven.

Beelden ook, die barmhartigheid en mededogen in ons wekken.

 

Als Jezus nu zou leven zou Hij zien wat wij zien, maar herkennen:

God wordt met zijn volk gedood in Syrie en Irak en elders;

Hij verdrinkt met zijn mensen in de middellandse zee,

maar Hij wil in ons verrijzen als mededogen en barmhartigheid.

 

Het is God zelf die radeloos en verschrikt op de vlucht is;

het is God zelf die wanhopig onze harten verzachten wil,

opdat wij bewarend gaan leven en barmhartig worden zoals Hij.

 

Dat is het wat Jezus ons met zijn verhaal eigenlijk wil laten zien:

dat als deze verschrikkingen gebeuren, dat dan de mensenzoon komt.

De mensenzoon, dat is de mens die werkelijk mens wil worden.

 

Kijk er dan naar, zegt Hij, zoals je kijkt naar een vijgeboom.

Zodra je deze ziet uitbotten herken je als vanzelf

dat de zomer in aantocht is.

Zie en herken: ga zien wat niet onmiddellijk te zien is.

Als je de boom ziet uitbotten herken dan de zomer die er nog niet is.

 

Waarom deze nadruk op zien én herkennen?

Misschien wel omdat we bij dreiging en angst

voor de ondergang van onze eigen gemaakte wereld,

niet goed in staat zijn te herkennen wát we eigenlijk zien.

Wat wij zien is:

 

volken in paniek, mensen radeloos in de golven,

mensen die het besterven van schrik en spanning

om wat de wereld overkomt.

 

En onze reactie is: onszelf beschermen en de grenzen sluiten.

Maar als we dat doen, sluiten we ook ons hart af,

de plaats waar God in ons woont.

Gelukkig kan geen grens Hem tegenhouden,

en geen hart te hardvochtig zijn voor Hem.

 

Doorheen alle tekenen van radeloosheid, schrik en angst,

ziet en herkent Jezus Gods werkzame aanwezigheid.

 

Zie en herken, ja, God is bezig.

 

Zoals Gods zon- en groeikracht de boom opnieuw laat uitbotten,

zo zal Hij ook zijn koninkrijk naderbij brengen.

In al ons onvermogen en onze zelfbetrokkenheid laat God niet af,

zijn liefde in ons en in zijn schepping te blijven investeren.

 

Waar wij chaos creëren, schept Hij nieuw licht.

Waar wij verharden, probeert Hij ons hart zacht te maken.

Waar wij onrecht en onmenselijke verhoudingen organiseren,

wekt Hij in ons een verlangen naar bevrijding en bewaring.

 

Dat is de wonderlijke betekenis van de tekenen van deze tijd.

Vluchtelingen zullen komen over land en over zee.

En wij zullen in paniek raken en angstig reageren.

Kijk ernaar en herken, zegt Jezus: de zomer is nabij.

 

Wanneer vluchtelingen hun toevlucht bij ons zoeken,

wil God in ons gunnend en bewarend aan het licht komen.

Dat is de nadering van zijn koningschap:

niet buiten ons om, en vanuit een of andere hemel,

maar in ons, met ons en door ons – en anders niet.

 

Zie en herken:

God is bezig in ons – en nergens anders.

Dat wij zijn liefde beantwoorden met liefde

en zo met Hem meebewegen.

Overweging van zondag 22-11-2015 door p. Ben Wolbers

Overweging bij Johannes 18, 33b-37

 

In het evangelie hoorde u het verhoor dat Pilatus Jezus afnam vlak voordat Jezus zou worden veroordeeld. Pilatus was bezorgd vanwege de verhalen die rondgingen over de populariteit van Jezus. Een bezorgdheid die – vanuit zijn gezichtspunt bezien – eigenlijk best begrijpelijk was. Pilatus was als zetbaas van de Romeinse bezetter voortdurend op zijn hoede voor allerlei bewegingen die probeerden om hem en zijn bezettingsmacht te verjagen.

En nu hadden zijn spionnen hem ingefluisterd dat Jezus wel eens een van de voormannen zou kunnen zijn van zo’n opstandige bevrijdingsbeweging…

 

U hoorde een klein stukje van het verhoor. Pilatus: “Bent u de koning van de joden?” Jezus: “Hebt u dat van u zelf of hebben anderen u dat verteld?” “Pilatus weer: “Nee, uw eigen mensen zeggen dat…” En dan zegt Jezus iets dat de basis vormt van het feest van vandaag:  “Mijn koningschap is niet van deze wereld… als mijn koningschap van deze wereld zou zijn,

dan had ik mijn mensen wel opgeroepen om voor mij te vechten… mijn koningschap is niet van deze wereld… “ Jezus zegt het tot twee keer toe…

 

Het spannende in dit verhoor is dat Pilatus hier een woord gebruikt – koning, bent u de koning van de joden.. – dat ook nu nog in onze belevingswereld een heel bepaalde betekenis oproept. Bij een koning denken wij vaak aan macht en majesteit, pracht en praal, gouden koets, ridders en edelen… Pilatus heeft ongetwijfeld ook gedacht aan de macht van een wereldse leider..

Maar Jezus zet hem op een heel ander spoor… “Mijn koningschap is niet van deze wereld…Het is niet het koningschap dat deze wereld gewend is…”  En daarmee komen we bij de betekenis die ik graag zou willen geven aan die titel ‘Christus Koning’. Christus is niet een koning zoals bij voorbeeld Willem Alexander koning is; hij is geen machtige leider zoals een Obama dat is, of een Assad of een Merckel. Zijn koningschap is wel machtig, maar niet machtig zoals wij soms machtig zouden willen zijn of zoals de economie machtig is, of zoals het kapitalisme dat is of het socialisme of welke –ismes ook. Het koningschap van Christus Jezus, van Christus Koning, is op een heel andere manier machtig: het is machtig in de liefde, machtig in de waarheid, machtig in zijn barmhartigheid en zachtheid, machtig in zijn onophoudelijke strijd voor recht en gerechtigheid…

Iemand noemde het feest van Christus Koning eens een “onthullend” feest: het onthult de ware verhoudingen in deze wereld én in onszelf… het maakt ons bewust van wat werkelijk van waarde is in het doen en laten van onze wereld én in het doen en laten van ieder van ons.. Een paar voorbeelden:

Toen de farizeeërs en de Schriftgeleerden een vrouw wilden stenigen die overspel had gepleegd, vroegen ze daarover eerst de mening van Jezus. Zijn onverwachte antwoord was: “wie onder u nooit iets fout heeft gedaan, laat die de eerste steen maar gooien”… ik vind dat een koninklijk antwoord, waar ieder van ons iets aan heeft… het geeft ook ons te denken…

Een ander voorbeeld. Eens zag Jezus dat een arme weduwe het normaal vond dat ze van haar schamele bezit toch nog iets stond aan de tempel, d.w.z. aan de armenzorg, wij zouden zeggen aan de caritas… Toen hij dat zag, sprak hij daar luid en duidelijk zijn bewondering over uit… “zij wist te delen ondanks haar armoede”, zei hij… dat hij daar oog voor had en dat hij daar aandacht voor vroeg… dat is koninklijk én het geeft ons opnieuw te denken…

Nog een voorbeeld. Toen twee van zijn leerlingen aan Jezus vroegen voor hem te bemiddelen voor een mooi plaatsje in het hiernamaals, was hij heel duidelijk in zijn commentaar: “Wees a.u.b. niet als de leiders van deze wereld want die maken meestal misbruik maken van hun macht; wie onder jullie groot wil zijn, moet dienaar zijn…”; dat zijn woorden van een échte koning… en ook deze woorden geven ons te denken…

Christus was koning omdat hij de tijd nam voor al die vele mensen die een beroep op hem deden, zieken, gehandicapten, mensen op zoek naar de zin van hun leven… en waar hij kon hielp hij hen… Hij geeft ons met deze titel te denken…

Dit zijn zomaar wat voorbeelden. Er zijn er veel meer. Ze maken zichtbaar hoe wij dat koningschap van Christus Koning dienen te verstaan. In Jezus leefde een vurige, onvoorwaardelijke liefde voor de mens, in het bijzonder voor de kleine mens en voor de rechteloze mens en voor de mens die geslagen wordt; door zijn woorden en daden gaf hij hen hoop, want ze herkenden in hem dat hij met hart en ziel geloofde wat ze diep in hun hart ook zelf wel wisten: hoe kostbaar iedere mens afzonderlijk is in de ogen van God.

 

Ik denk hier aan de pianist die een dag na de vreselijke aanslagen in Parijs met een piano voor het theater ging staan waar zoveel mensen omkwamen… en daar speelde hij “Imagine” van John Lennon… “imagine”.. stel je voor, betekent dat… zoekt u de tekst maar op op Google: stel je voor dat onze wereld een wereld van vrede zou zijn… droom daarvan… denk daarover na… dat zal je sterk maken… dat zal maken dat je zelf die vrede uit gaat stralen…

Die mooie muziek maakte die angstige, gekwetste mensen voor even weer sterk… Ze voelden de solidariteit van die man, terwijl die toch nauwelijks een woord met hen sprak, alleen maar speelde op een oude piano die hij achter zijn fiets had aangesleept… Ze voelden dat die man op zijn heel eigen wijze geloofde in de kostbaarheid van iedere mens… en dat hadden ze nodig, daar, toen…

Eigenlijk heeft Christus Koning hetzelfde gedaan: de mensen geloof geven in zichzelf… hij deed dat, door steeds maar weer, waar hij maar kon, uit te stralen hoe kostbaar iedere mens is in de ogen van God…

Dát zou ik vandaag van harte ‘koninklijk’ willen noemen.

 

 

Oss, Titus Brandsmaparochie, 22 november 2015 – Ben Wolbers O.Carm.

 

Overweging van zondag 16-11-2015 door pastor Leon Teubner

Vanuit een diep menselijk verlangen naar vrede,

naar gerechtigheid, naar bewaring en naar menselijkheid,

zijn er veel zgn. eindtijdverhalen geschreven.

 

Dat zijn geen verhalen over het einde van wereld,

maar verhalen over de ondergang van een bepaalde wereld:

die van onderdrukking en onmenselijke verhoudingen,

van mensonwaardig gedrag waarin de wet van de sterkste geldt,

zoals sinds jaar en dag in Syrië, en eergisteren in Parijs.

 

Maar die we ook ervaren in het klein en hier onder ons.

Daar waar mensen elkaar zomaar laten vallen

wanneer ze er zelf beter van denken te worden;

daar waar ouderen kinderen misbruiken,

daar waar familieleden elkaar minachten en niet willen ontmoeten,

daar waar ontredderde vluchtelingen als groep verdacht gemaakt worden.

 

In die mensonwaardige situaties dromen mensen diep in hun hart

van de komst van de mensenzoon.

Marcus verhaalt vandaag op zijn wijze van dit visioen:

 

In die dagen na de verschrikking

zal de zon verduisterd worden,

en de maan haar licht niet meer laten schijnen,

en zullen de sterren van de hemel vallen

en de hemelse machten wankelen.

 

Dan zal men de Mensenzoon op wolken zien komen,

met veel macht en heerlijkheid.

 

De dagen der verschrikking, noemt hij de tijd waarin hij leefde.

Een wereld waarin het volk werd onderdrukt en afgeknepen,

en in het heilige der heiligen van de tempel,

de plaats van Gods inwoning onder de mensen,

een heidens afgodsbeeld geplaatst is.

 

Symbolisch staat dit heilige der heilige voor het menselijk hart

de innerlijke ruimte waarin God wonen en uitstromen wil,

als gunnende goedheid, als bewogenheid om mensen.

 

De dagen der verschrikking staan voor de verharding van een hart

dat niet langer op God gericht is, maar dat uit angst en zelfbehoud

zijn heil zoekt bij geld, geweld, eigen volk eerst, macht en bezit.

Die dagen zullen eindigen en na die verschrikkelijke dagen

 

zal de Mensenzoon komen,

met veel macht en heerlijkheid.

De mensenzoon in de Schrift is die mens

die niet meegaat met de angst en de verwildering van zijn tijd,

maar die blijft staan, als een rots in de branding,

voor menselijkheid, voor gunnende goedheid,

voor barmhartigheid en voor gerechtigheid.

 

De mensenzoon is die mens die ondanks alles menselijk blijft,

door zich elke dag opnieuw te ontvangen vanuit Gods hand;

die mee probeert te werken met Gods werkzaamheid in hem,

die, zoals Titus Brandsma, een instrument wil zijn in zijn hand.

 

De mensenzoon is die mens die blijft geloven

in Gods trouw aan hem en aan zijn schepping.

Die vertrouwt dat God nabij is, ook waar onrecht welig tiert.

Die gelooft dat God de verdrukking van zijn mensen voelt,

en dat Hij op zijn tijd breken zal de machten van het kwaad.

 

Dat illustreert Marcus met een adembenemende gelijkenis van Jezus.

Deze vergelijkt het einde van iedere goddeloze tijd

met het beeld van het uitbotten van de vijgenboom.

 

Leer van het beeld van de vijgenboom:

als zijn twijgen zacht worden

en zijn bladeren zich ontvouwen,

dan weten jullie dat de zomer in aantocht is.

 

Zo moeten jullie ook weten:

wanneer je deze dingen ziet gebeuren,

dan staat het vlak voor de deur.

 

Jezus schouwt wat wij niet of maar moeilijk zien,

maar waar wij wel hartstochtelijk van dromen:

Gods niet aflatende werkzaamheid in en onder ons,

juist ook daar, waar het einde verhaal lijkt te zijn.

 

Leer dan van het beeld van de vijgenboom:

als zijn twijgen zacht worden

en zijn bladeren zich ontvouwen,

dan weten jullie dat de zomer in aantocht is.

 

De boom, die bevroren de wintertijd heeft doorstaan,

ontdooit en zijn harde takken worden weer zacht.

Gods groei- en zonkracht brengt nieuw leven in hem.

Zo ook in en onder de mensen.

 

Na iedere tijd van kille, ijskoude en verstarde verhoudingen,

zal er weer warmte komen in de relaties van mensen en volken.

Mensenharten zullen weer zacht worden,

vreemden zullen zich weer openstellen voor elkaar.

Dat alles zál gebeuren, beklemtoont Jezus, ook al wijst niets daarop:

 

Ik verzeker jullie, deze generatie gaat niet voorbij

voordat dit allemaal gebeurd is.

Hemel en aarde zullen voorbijgaan,

maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.

 

Onmenselijke systemen zullen altijd weer ontregeld raken.

Elke menselijke orde die losraakt van de goddelijke, zal verdwijnen.

En een nieuwe Godmenselijke orde zal proberen zijn plaats innemen.

 

Dat wil een orde zijn van gunnende goedheid en mededogen,

een orde die erop gericht is iedereen het leven mogelijk te maken.

Een Godmenselijke orde, waarin de mens werkelijk zal mens worden,

de Godmenselijke orde van het koninkrijk van God.

 

Onze op zichzelf gerichte westerse cultuur

wordt op dit moment flink door elkaar geschud.

Velen verharden daardoor in paniek, uit angst en beven,

en proberen te behouden wat niet behouden kan worden:

onze zelfgemaakte ordeningen die enkel schijnveiligheid bieden.

 

Zal in onze winter het visioen van Jezus overeind blijven,

of zal onze angst en zelfgerichtheid belofte afdoen als naief?

Gelukkig is die keus niet alleen aan ons.

 

Want de zomer zál komen, belooft Hij, zelfs al blijven wij winterkil.

Onze harten zullen zacht worden, al is het met onze laatste zucht.

Het liefdeswoord van God gaat nooit voorbij.

 

Wij zúllen mens worden, want God heeft in zijn wijsheid besloten

om mens te worden in ieder van ons, en dat elke generatie weer.

Dat wij waakzaam daarom blijven

en meebewegen met die geboorte van God in ons:

Zijn bewogenheid om mensen.

 

Opening Expositie; Gedicht door Jan van den Boom

Titus Brandsma

Bij leven klein, maar gesmeed
uit onbuigzaam staal.

Nu .. vast in bruinig brons gegoten
staat hij daar en staart
over de straat waarin hij
aanzet gaf tot:
Een echte bieb, het regionale blad
“de Stad Oss” én middelbaar onderwijs.

Zo schiep de kleine Fries in grijs verleden
ruimte in een dorpse stad
voor nieuwe mogelijkheden.

In zijn spoor een stoet van Karmelieten,
die huis en haard verlieten
om -voor eigen ziel en zaligheid-
met vuur God en mens te dienen.

 

Opening Expositie; openingswoord door Leon Teubner

Beste mensen,

Zo meteen wordt de tentoonstelling
125 jaar KarmeI in Oss geopend. Om ons heen staan heel wat verbeeldingen van wat de Karmelieten in Oss aan betekenis hebben gehad.

Het is goed om bij deze beeldvorming even stil te staan.
We laten ons hierbij leiden door Titus Brandsma.

In een kerkkalender uit 1924 beschrijft Titus het leven van de heilige Teresa van Avila.  Titus gaat onder meer in op de beeldvorming rond Teresa.  Hij zegt:

‘Beelden schieten te kort om uit te drukken,
wat niet onder beelden is te brengen
.

Wij verlustigen ons in het beeld van de Heilige van Avila,
maar vergeten vaak, dat het straalt-

niet in een aureool van wereldse grootheid,
maar straalt in het licht van God’
.

Einde citaat.

Volgens Titus lopen wij het gevaar, ons te verlustigen in de beelden die wij maken.  Niet alleen van Teresa, maar ook van anderen en van onszelf. Titus is helemaal niet tegen beelden,
maar wil ons waarschuwen dat de beelden die wij maken,
ongemerkt ook het wezen verduisteren
van het oorspronkelijke beeld in al wat is: God zelf.

De beeldvorming rond Teresa, waar Titus over schreef, overkwam ook hemzelf.  Hij, die gisteren werd uitgeroepen tot Ereburger van onze stad, wordt ook door ons bekleed met allerlei beelden.
Daar waren we gisteren weer getuige van.

Bij de zaligverklaring van Titus, schreef de karmeliet Kees Waaijman daarover:

Het is vanzelfsprekend, dat mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog
hun leven waagden voor de vrijheid, 
in Titus vóór alles de verzetsheld zagen. 

Het is vanzelfsprekend
dat journalisten in Titus 
vooral een voorvechter van de persvrijheid zien.

Het is vanzelfsprekend dat de Karmelieten in Titus een karmeliet zien zoals die moet zijn. 

Het is vanzelfsprekend dat mensen in nood in Titus hun persoonlijke hulp en toeverlaat zien.

Het is vanzelfsprekend dat mensen die geïnteresseerd zijn in mystiek,
hem vooral zien als mysticus.

Einde citaat.

Precies nu die vanzelfsprekendheid
kan misleidend werken. Want deze verhult heel gemakkelijk
dat Titus maar ‘een vóór-beeld’ is. Een beeld vóór een ander beeld, dat zelf niet te vatten is: Titus als beeld van de onverbeeldbare God.

Van die onverbeeldbare God heeft Titus in al zijn rollen zijn leven lang getuigd.  Misschien blijft hij ons dáárom wel boeien.
Omdat wij, naar hem kijkend, geraakt worden door een “ik weet niet wat’. lets dat niet met Titus samenvalt, maar dat eeuwig onverbeeld blijft. En dat tóch altijd, in hem, maar ook in alles en iedereen, tot onze verbeelding blijft spreken.

Vandaag zijn wij in deze kerk omringd
met prachtige verbeeldingen Van 125 jaar Karmel in Oss. Ook doorheen deze verbeeldingen probeert die onverbeeldbare God; onze aandacht te trekken.

In februari vroegen wij aan de makers ervan: Maak iets voor deze tentoonstelling dat voor jóu verbeeldt, waar de Karmelieten of deze Karmelparochie voor staat’.

Welke bezieling tref je er aan?

Deze vraag riep bij jullie een aantal kernwoorden op:

zoekend leven,
een luisterend oor,
dichtbij mensen
rechtvaardig leven
bezinning en inkeer,
eenvoud,
een thuis,
ruimte en respect,
oog voor de zwakken,
bewarend omzien naar elkaar.

Daarna zijn jullie aan de slag gegaan.
En dat heeft geresulteerd in deze veelheid van vormen en afbeeldingen. Door al deze werken heen straalt
– voor wie het wil zien – óók iets van die ongrijpbare, beeld loze God van Titus en Teresa.  Een ‘ik weet niet wat’, dat, doorheen al deze beelden en woorden,  ook ons vandaag raken en bezielen wil.

Dat onzichtbare beeld van God dat ook in ons opstraalt wanneer wij meebewegen, met die innerlijke aandrang om dichtbij mensen te staan,  een luisterend oor te zijn, zoekend door het leven te gaan;

Zijn onzichtbare beeld dat ook in ons opstraalt,
wanneer wij dat verlangen volgen naar eenvoud,
naar bezinning en naar inkeer; Dat beeld dat telkens in ons opstraalt,  wanneer wij ingaan op dat appel respectvol en bewarend om te zien naar de ander,  die ons op onze weg gegeven wordt.

Wij mogen ons zo meteen uitgenodigd weten.
om in al jullie prachtige werken, óók contact te maken met die verborgen, goddelijke bezieling in ons.

Dank jullie wel.